Alpen van papier-maché

Guy Maddin maakt oude films alsof ze nieuw zijn. In zijn stille zwart-wit films laat hij zien dat kleur en geluid niet vanzelfsprekend zijn.

Alleen het bloed is rood in de film Dracula – Pages from a Virgin's Diary. Onnatuurlijk rood, als de zwart-witte maagd Lucy zich aan een bosje rozen prikt en de zwart-witte Dracula uit zijn bloeddorstige sluimering wekt. Maar vaker ook is het bloed zwart, van dat dikke zwart dat eruit ziet als pek of verf, van dat zwart waarvan we alleen maar dénken dat het rood is.

Deze Dracula is een film van de in 1956 in Winnipeg geboren Guy Maddin, een van de `filmmakers in focus' op het International Film Festival Rotterdam. Er is in deze film meer te zien waarvoor we onze kennis over de gewone, gekleurde werkelijkheid moeten gebruiken. We weten bijvoorbeeld dat de mensen in de film geluid maken als ze praten, maar te horen krijgen we het zelden.

Maddins films lijken op oude films, films van voor de uitvinding van filmkleur en -geluid. Sommige beelden in Dracula lijken bijvoorbeeld wel gesneuvelde scènes uit de Duitse expressionistische film Das Cabinett des Dr. Caligari, een film uit 1920. De hoofdrolspelers acteren zoals ze dat in de jaren twintig deden, met een nu licht krankzinnig lijkende oogopslag. Hun haperende, hoekige bewegingen zijn echter groter, en wijder dan in Robert Wienes film, want in Maddins Dracula wordt gedanst. Dat past zo goed bij het verhaal van de snode graaf `uit het oosten' dat je je afvraagt waarom dat niet al in de jaren twintig gebeurde. En als het gebeurde waarom je dat nog nooit gezien hebt.

In Dracula vindt Maddin de filmgeschiedenis opnieuw uit. Hij reproduceert haar tot in het extreme en perfectioneert haar. Het resultaat is een verrassing. Het is ouderwets. Het is nieuw. Het is allebei tegelijkertijd.

Surrealisme

Uit de manier waarop Maddin zijn films vormgeeft mag blijken dat hij van film houdt. Hij leeft op Planeet Cinema. Hij houdt van experimentele films en van avant-gardistische films, alleen niet van moderne films. Volgens de regisseur is er sinds het surrealisme van Luis Buñuel niets meer gemaakt wat de moeite waard is. Soms verklaart Maddin zijn hang naar ouderwetse films uit lafheid. Hij zegt ook dat hij te romantisch is voor de hedendaagse film.

Nostalgisch is Maddin echter niet. In ons collectieve filmgeheugen heeft zich een beeld van de stille film vastgezet. Een fascinerend beeld, of een saai beeld, maar in ieder geval een bekend beeld. Maddin laat dat beeld herboren worden. Hij laat zien dat geluid en kleur niet iets vanzelfsprekends zijn. Hij demonstreert hoe een armbeweging een verhaal kan vertellen of een personage neer kan zetten. Hij doet dat met het plezier waarop een kind dat zijn eerste stappen zet, die eerste stappen herhaalt, er sprongen van maakt, huppelt, hinkelt.

Maddin brengt het avontuur terug in wat vertrouwd leek. Verlekkerd kijkt hij naar details die te banaal zijn om ooit de aandacht van een regisseur te vangen: armen, knieën, vogels, vissen. Maar hoe wonderbaarlijk is het om naar een knie te kijken als naar een erotisch landschap, een emotioneel mijnenveld.

Maddin maakt geen films die van het begin tot het eind voor stille films uit de jaren tien of twintig van de vorige eeuw kunnen doorgaan. Maddin overdrijft. Hij snijdt in de montage bijvoorbeeld nog meer informatie weg dan de Russische experimentelen Poedovkin en Koelesjov deden. Soms is er muziek op de geluidsband te horen die duidelijk van later is. Opgewekte jaren vijftig-deuntjes begeleiden het getob van boeren die er uitzien alsof ze de twintigste eeuw niet gehaald hebben. Dan weer passen stijl en inspiratiebron niet helemaal bij elkaar. Careful (1992) is een Alpenfilm, zoals Leni Riefenstahl er veel gemaakt heeft. Maar Maddins Alpen zijn overduidelijk van papier-maché, en hij stal zijn regievondsten van de strenge Deen Carl Dreyer.

Hoewel zijn werk het eerste door liefhebbers van cultfilms werd ontdekt, is Maddin geen postmoderne regisseur voor wie het spel met stijlen een doel op zichzelf is. Maddin is zelfs een beetje saaie, ernstige filmmaker, met een licht depressieve inslag, getuige de documentaire Waiting for Twilight (1997). Hij neemt het bouwen van decors uiterst serieus en werkt het liefst met de camera's die ook Eisenstein en Dziga Vertov tot hun beschikking hadden. Wat dat betreft lijkt hij op een `filmmaker in focus' van twee jaar geleden: de Zweed Roy Andersson, die toen met zijn filosofisch-apocalyptische Songs from the Second Floor diepe indruk maakte. Net als Andersson bouwt Maddin zijn eigen werelden, bij voorkeur in verlaten loodsen en fabriekshallen waar hij de ruimte heeft voor zijn filmische scheppingen.

Niet alleen met Andersson is Maddin verwant, ook met op het eerste gezicht verder van hem verwijderde makers als Todd Haynes en Paul Thomas Anderson deelt Maddin zijn voorliefde voor een mengeling van oud en nieuw. Haynes' Far From Heaven opende het filmfestival. Die film lijkt misschien een kopie van een melodrama van Douglas Sirk, maar gaat verder dan Sirk ooit had kunnen gaan. Ook hier worden in een geperfectioneerde ouderwetse stijl nieuwe onderwerpen aan de orde gesteld. Onderwerpen die in 1950 alleen door dappere toeschouwers in de films van Sirk opgediept konden worden, zoals homoseksualiteit en interraciale verhoudingen, komen nu aan de oppervlakte. Ook Maddins films gaan over onderwerpen die in de eerste helft van de vorige eeuw niet vaak in films opdoken: incest, homo-erotiek, necrofilie, xenofobie, zelfhaat, geheugenverlies. En hij verhult ze niet. Een close-up waarin overtollig wenkbrauwhaar wordt weggeschoren, krijgt betekenis door het wulps stiften van een paar mannenlippen erna. In Tales from the Gimli Hospital (1988) knijpt een man een vis boven zijn hoofd leeg en wast daarna zijn haar met het vissenbloed. Zo'n ongewoon beeld wordt bij hem een symbool van seks, moord en primitieve rituelen.

Bizar plot

In zijn meest perfecte werk The Heart of the World, dat vorig jaar al te zien was, leidt Maddin de toeschouwer als een moderne Alice in Wonderland door een tunnel naar het centrum van de wereld. Sporen van Fritz Langs Metropolis (1927) en Russische films uit dezelfde periode geven je een gevoel van herkenning, maar dat wordt weer tenietgedaan door de bizarre plot. De film draait om een wetenschapster, in een driehoeksverhouding verwikkeld met twee broers (oh foei!), die ontdekt dat de wereld op het punt staat aan hartfalen te bezwijken.

Tussentitels die zich opdringen, stiekeme animaties, absurde beeldcombinaties die diepzinnige betekenissen suggereren, het is allemaal nog abstracter dan de Russen hadden durven dromen. Het is bekend en het is vreemd. Het is van vroeger, maar van een tijd die parallel aan de echte geschiedenis liep, waarin de decors overvol waren, evenals de betekenissen. `Kino Delirium', noemt de Canadese filmjournalist Caelum Vatnsdal dat.

Maddin laat zo onstuimig zien dat je klassieke films bijna nooit te zien krijgt zoals ze gemaakt zijn, dat dat vertrouwde bestofte beeld je perceptie heeft aangetast. Zo zijn we eraan gewend geraakt om de eerste films te zien als net opgegraven potscherven, met het zand er nog aan. Nooit kregen we de geglazuurde vazen te zien.

Guy Maddin is een van de drie Filmmakers in Focus op het 32ste International Film Festival Rotterdam. Zijn films zijn de hele week nog te zien op het festival. Voor meer informatie www.filmfestivalrotterdam.com

    • Dana Linssen