Politieke avonturier kan nog altijd toeslaan

De verkiezingsuitslag van gisteren wekt sterk de indruk dat op 15 mei 2002 geen sprake was van een revolutie die alles anders zou maken. Dit laat onverlet dat grondig moet worden nagedacht over de organisatie van de democratie, meent J.Th.J. van den Berg.

Als deze verkiezing van een nieuwe Tweede Kamer in één woord moet worden getypeerd dan luidt dat: `normalisering'. De grote drie traditionele partijen zijn terug op een normaal niveau, bezien over een lange termijn: de PvdA bevindt zich weer tussen de veertig en vijftig zetels (42); het CDA (44) heeft zich blijkbaar hersteld van zijn ernstige depressie van de jaren negentig; bij de VVD is de groei van de jaren negentig eruit, maar een uitslag tussen 25 en dertig zetels (28) is, alweer, heel normaal. Bij alle consternatie sinds het aantreden van Fortuyn in 2001 tot en met de opwindende en opgewonden verkiezingscampagne van de laatste weken is dat een tamelijk ontnuchterend resultaat.

Dat roept natuurlijk de vraag op of de uitslag van 15 mei 2002 geen incident is geweest. In elk geval wekt de uitslag van gisteren de sterke indruk dat wij in mei vorig jaar met een revolte van de Nederlandse kiezers te maken hebben gehad en niet met een revolutie die alles anders zou maken. De aanhang van Fortuyn is ingezakt, al is zijn partij nog altijd met acht zetels in de kamer vertegenwoordigd. De Boerenpartij zou er in de jaren zestig tevreden mee zijn geweest, evenals de ouderenpartijen in 1994. Veel belangrijker is: de LPF heeft een parlementaire meerderheid van CDA en VVD onmogelijk gemaakt.

De LPF is bovendien in de maanden sedert de moord op Pim Fortuyn grondig van karakter veranderd. Als zij Fortuyn inhoudelijk trouw was gebleven, dan was zij niet de rechtse, conservatieve concurrent van de VVD geworden die zij nu is. Fortuyn brak met zijn hoogst eigensoortige mengeling van opvattingen in bij links en bij rechts. Hij was de eerste die er echt in slaagde om de `betonnen muur' tussen links en niet-links (CDA en VVD, alsmede de kleine christelijke partijen) te doorbreken. Tot aan zijn komst haalden linkse partijen hun winst ten koste van elkaar; voor niet-links gold hetzelfde. Fortuyn haalde zijn aanhang uit beide kampen met zowel progressieve ideeën (politieke stelselvernieuwing en spreidingsbeleid voor minderheden, bijvoorbeeld) als rechtse opvattingen (immigratie en privatisering van de gezondheidszorg, bijvoorbeeld). De LPF gaf, tijdens de kabinetsformatie, alle vooruitstrevende voorstellen van zijn erflater weg aan CDA en VVD.

In de verkiezingscampagne heeft de LPF die koers niet gewijzigd. De kiezers hebben dat goed begrepen: links in de Nederlandse politiek is weer terug op zijn normale niveau van zo'n 65 zetels, niet-links trouwens ook. Alleen in 1981 en 1998 scoorde gezamenlijk links hoger en naderde het de absolute Kamermeerderheid.

Er is nog een ander aspect dat uitnodigt om van normalisatie te spreken in de electorale verhoudingen. De verkiezingen van mei 2002 stonden grosso modo in het teken van sterk gegroeide en betrekkelijk algemene welvaart. Ietwat paradoxaal leidt dat gemakkelijker tot politiek ongenoegen en de behoefte de gevestigde orde onder druk te zetten dan de wetenschap dat werkloosheid dreigt en de welvaartsontwikkeling stagneert. Als het goed gaat, wordt het tijd voor `verzet', niet zonder reden overigens, maar ook voor een `verzetje'. Hans Dijkstal, de opzijgezette leider van de VVD, had daar helemaal niet zo'n ongelijk in.

Wat blijkbaar, sinds de jaren zeventig in stijgende mate, ook tot de normaliteit is gaan behoren: de fundamentele instabiliteit van het kiesgedrag in Nederland; een instabiliteit die groter is dan in de meeste ons omringende landen. Dat wijst niet alleen op de vrijwel definitieve verdwijning van maatschappelijke klasse en levensbeschouwing als verklarende factoren voor het kiezersgedrag. Het wijst er ook op dat een groot deel van de bevolking geen duurzame vertrouwensrelatie bereid is aan te gaan met politieke partijen.

Bram Peper had in zijn boek `Dolend land' gelijk: dat wijst op onderliggende problemen in ons politieke bestel, die niet met sussende woorden of een paar handgrepen zijn op te lossen. De drie klassieke partijen (CDA, PvdA en VVD) mogen tezamen weer `de grote drie' zijn vanaf vandaag, van hun toekomstig lot kunnen zij nooit zeker zijn. Maar ook de kleine partijen, tot en met de kleine christelijke groeperingen, ondergaan een hoogst onzeker lot. Niemand kan tenslotte garanderen dat, als de omstandigheden een beetje meewerken, een competente avonturier niet weer het tafellaken onder het kostelijke bestek vandaan haalt.

Er is, zelfs onder deze genormaliseerde verhoudingen, alle reden voor alle politieke partijen om grondig na te denken over de organisatie van de Nederlandse democratie. Daarbij gaat het om rol en plaats van politieke partijen (moet het echt zo versnipperd?), als om ons staatkundig stelsel. Het gaat echter ook om het handelingsvermogen van de overheid in bredere zin, nu dat steeds verder wordt beperkt door internationale economische en politieke machtsverhoudingen, de sterk gegroeide rol van de Europese Unie, maar ook om de wijze waarop wij van de relaties tussen overheid, civil society en markt een onontwarbare kluwen hebben gemaakt.

De Kamerverkiezingen mogen hebben geleid tot meer normale machtsverhoudingen, zij maken de vorming van een stabiel en doelgericht werkend kabinet niet gemakkelijker. Balkenende's hardnekkige voorkeur voor `centrum-rechts' is alleen maar mogelijk als hij de LPF weer in genade aanneemt. Het valt absoluut niet uit te sluiten dat het daar uiteindelijk op uitdraait: zeker, na vele omwegen waar Nederlandse kabinetsformaties historisch het patent op hebben. Het CDA zal in zo'n coalitie echter niet echt de dominante partner kunnen zijn. Het is trouwens de vraag of de VVD zich gemakkelijk tot zo'n coalitie zal laten verleiden.

Daarnaast is er natuurlijk de mogelijkheid van een coalitie tussen CDA en PvdA, dankzij de glansrijke zege van Wouter Bos. Stiekem moet de PvdA blij zijn, dat zij iets kleiner is gebleven dan de christen-democratie, want een coalitie onder een sociaal-democratische premier zou psychologisch ongetwijfeld te veel zijn gevraagd van het CDA. Dat is trouwens ook beter voor de stad Amsterdam: Job Cohen kan daar nu zijn krachten aan blijven geven.

Theoretisch is er nog de mogelijkheid dat CDA en VVD zich kunnen wenden tot D66, maar een partij met slechts zes zetels is nauwelijks in staat effectieve kracht te ontwikkelen in zo'n coalitie. Met veertien zetels ging het in Paars al moeizaam, zoals in 1999 (kabinetscrisis) is gebleken.

Er is tenslotte één aspect aan deze Kamerverkiezingen, dat – als het echt moet – het CDA in bedwang kan houden. Een paarse coalitie, hoe weinig waarschijnlijk ook, heeft weer een minimale meerderheid van 76 zetels. Als gezegd, de Nederlandse regeringsvorming wordt traditioneel gekenmerkt door haar vele mogelijkheden en de bijbehorende omwegen (zo men wil: dwaalwegen). Voor het CDA moet het van belang zijn te beseffen dat het, als die partij het echt `te bont' zou maken, ook zonder haar zou kunnen.

De liefhebber kan zich weer instellen op een uitvoerige en avontuurlijke kabinetsformatie. Iets anders is, of die leidt tot een stabiele coalitie.

Prof.dr. J.Th.J. van den Berg is hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Universiteit Leiden.