Zweven in de mediacratie

Het laatste grote debat. Twee kandidaat-leiders van deze natie raken in nood in een meer dan heftig debat over de prioriteit van de klapdeurtjes en tolpoortjes die de metrostations moeten beschermen. Als ervaren gebruiker van alle soorten openbaar vervoer weet ik al jaren dat iets aan de alzijdige rotzooi moet worden gedaan. Het is een goed onderwerp voor het debat. Iedere mondige burger kan het begrijpen. De kandidaten zijn het eens, maar ze blijven vechten. Wanneer die klapdeurtjes er ook mogen komen, die twee zien we in ieder geval niet in één kabinet. Dat is een bijdrage tot de zozeer gewenste duidelijkheid.

Dit zijn de verkiezingen van de `mediacratie', heb ik overal gelezen. Het feest van de democratie zou erop vooruit gaan als de volgende keer niet meer dan twee grote lijstrekkersdebatten werden gehouden: aan het begin en aan het einde van de campagne. Deze marathon van drie weken maakt het geheel misschien wel spannender, maar niet duidelijker. Daar kunnen we niemand in het bijzonder de schuld van geven. De `mediacratie' in deze vorm is een mechanisme dat, eenmaal op gang gekomen, in zijn automatisme alles beetpakt en laat meedraaien.

De kandidaten hebben er belang bij zich zoveel mogelijk te laten zien en kunnen geen geboden kans voorbij laten gaan. De ondervragers moeten zich in onderlinge wedijver profileren, vragen genadeloos door. Bij allen neemt de wedijver toe, het debat wordt feller, het wordt een gevecht. De resultaten daarvan worden gemeten. De ondervragers hebben de kijkcijfers. Voor de kandidaten zijn er bovendien de resultaten van de peilingen. Overal wordt geprofileerd dat het een lieve lust is.

In het begin kan dat zijn voordelen hebben. Het tijdperk waarin beleefde ondervragers de politici niet veel anders dan abstracte formules en gladde gemeenplaatsen ontlokten, is ook hier voorgoed voorbij. Het afgelopen jaar is een nieuwe toon gezet. Het publiek ziet nu datgene waarvoor de televisie in de politiek bedoeld is: zijn leiders en aspirant leiders in al hun grandeur en misère. De televisie geeft de anatomische les van het gezicht. Dat is behalve politiek leerzaam ook eerste klas entertainment, op het bloeddorstige af, zolang het duurt.

In deze campagne heeft het te lang geduurd. Dat wil zeggen, het entertainment gaat zwaarder wegen dan de politiek. Wie zijn zijn les in grote trekken heeft geleerd, ook maar enigszins weet wat het afgelopen jaar is gebeurd, en dan nog eens een debat of twee ziet, heeft genoeg wetenschap verzameld om zijn beredeneerde stem uit te brengen. Dat is tenminste de redenering die ervan uitgaat dat de democratie voor haar deelnemers een overwegend rationeel systeem is.

Maar zo is het niet. Vorig jaar hebben eerst 1.6 miljoen kiezers op een dode leider gestemd, waarna bleek dat de voorhoede van zijn volgelingen zoals hij zelf al had gezien voornamelijk uit ruziezoekers bestond. Het geeft dan weer moed, als blijkt dat een miljoen bijtijds heeft begrepen dat het op een dwaalspoor was, terwijl de resten van de partij zich tot een gewoon, non-charismatisch gezelschap van conservatieve burgers weet te transformeren. Wat trouwens iedereen die niet door het zeer sensationele entertainment was meegesleept, had kunnen voorzien.

Daarmee is het niet opgehouden. De SP is binnen een paar weken in de peilingen getuimeld, terwijl iedereen wist dat het de radicaalste partij op de linkervleugel is, en het een maand geleden Jan Marijnissen niet aan charisma leek te ontbreken. In plaats van hem kwam Wouter Bos tevoorschijn, als de wonderbaarlijke genezer van een partij die niet lang tevoren als een wrak was afgeschreven. Het arme D66, toegerust met redelijke denkbeelden op allerlei gebieden die de mondige burger zorgen baren, werd onzichtbaar in de donkerste sloppen van de publiciteit. De christen-democraten hebben zich met de in alle opzichten niet radicale Balkenende in het midden gehandhaafd, en de liberalen zijn traditioneel liberaal gebleven. Zijn daarmee, na het intermezzo van Paars en ondanks de veranderde invloed van de media, de oude verhoudingen min of meer hersteld?

Er zijn drie verschillen met vroeger. Ten eerste zijn er de `zwevende kiezers'. Vanavond weten we waar die in meerderheid zijn geland, maar niet of ze daamee een keus van enige duurzaamheid hebben gemaakt. Het labiele deel van het electoraat groeit. Daarop concentreert zich, vanzelfsprekend, de mediacampagne. Dat is het tweede verschil. Maar de manier waarop dat gebeurt, maakt het waarschijnlijker dat deze keuze incidenteel zal zijn. Zo'n marathon van debatten waarin de politiek steeds sensationeler lijkt, steeds simpeler wordt voorgesteld, zal het aantal zwevende kiezers eerder doen toenemen. En dus zullen de verkiezingen meer grillige fluctuaties laten zien.

En ten derde blijft, onafhankelijk van de uitslag, deze maatschappij in beweging, niet alleen de Nederlandse maar die van het hele westen. Zo is het `waarden en normen' vraagstuk internationaal. Hetzelfde geldt voor de migratie, de economische neergang, de dreiging van een oorlog met volstrekt onbekende gevolgen. Herstel van het midden geeft een schijn van zekerheid. Direct onder de oppervlakte is het oude systeem te ver aangetast om zich nog op de traditonele vaderlandse manier te kunnen herstellen.

Een fel debat over de staatsschuld, de normen en waarden en de klapdeurtjes die de metro tegen onverlaten moet beschermen, het is interessant, ik volg het ademloos. Het is noodzakelijk, al zou het beter kunnen. Maar er zit meer onheil in de lucht, dat in deze campagne in de verste verte niet aan de orde is gekomen. Dat is niet verkoopbaar, het is nog te ver weg, te abstract om de kiezer te kunnen boeien. Dat is nu eenmaal het tekort van de democratie in een klein land waar iedereen nog boos op elkaar is. En daar valt nu niets aan te doen.

    • H.J.A. Hofland