Politiek bestel is aan het hyperventileren

De campagne van 2002 was doortrokken van spanning en sensatie. De politiek werd dichter bij de burgers gebracht. Maar dit succes is oppervlakkig en de kans op een afhakende kiezer is vandaag levensgroot aanwezig, betoogt J. de Ridder.

Nog steeds klinkt in het publieke debat in Nederland de roep om `nieuwe' politiek. Politici willen `nieuwe' politici zijn en journalisten praten geringschattend over de `oude' politiek. Wat met `nieuw' wordt bedoeld is duister. In het gunstigste geval gaat het om helder en doeltreffend taalgebruik. In het ongunstigste geval gaat het om Jip-en-Janneke taal, kretologie, of praten zonder na te denken. Nieuwe politiek wordt in ieder geval altijd gekoppeld aan de wijze waarop Pim Fortuyn politiek bedreef en met zijn politieke tegenstanders in debat ging.

Onderzoek laat echter zien dat Pim Fortuyn wist te scoren met ouderwets politiek handwerk. Hij maakte indruk door te hameren op zijn eigen standpunten, door steun te verwerven en kritiek uit te lokken en door successen uit te stralen. Succesvolle politici uit het verleden deden niet veel anders. Als er iets nieuws was in de campagne was het niet dit politieke handwerk, maar de enorme extra ruimte die deze politicus voor zijn strategie in de media wist te verwerven. Een kwart van alle aandacht die de media aan politieke partijen en politici in de campagne besteedden ging uit naar Fortuyn. Nieuw in de campagne van 2002 was niet de politiek maar de hype die de media creëerden. Dit zijn belangrijke conclusies van ons onderzoek Puinhopen in het nieuws naar de campagne in 2002.

Het succes van de LPF was dus het gevolg van ouderwets politieke handwerk: de goede inhoudelijke thema's, kritiek uitlokken van tegenstanders en succes uitstralen. De invloed van inhoudelijk nieuws wordt in het televisietijdperk vaak onderschat. Partijen die er tijdens de campagne in slagen om deze `eigen' onderwerpen in het nieuws te krijgen, scoren echter vaak goed. Kiezers zijn opmerkelijk unaniem als het gaat om de vraag aan welke thema's zij denken bij een bepaalde partij. De LPF, of Pim Fortuyn, werd in de campagne van 2002 in zeer korte tijd `eigenaar' van de thema's asielzoekers en criminaliteit.

De vele aandacht die vervolgens aan dat soort onderwerpen werd besteed werkte gunstig voor de `eigenaar'. Kiezers zien een probleem waar veel aandacht aan wordt besteed al snel als een groot probleem. De oplossing van de `eigenaar' voor zo'n probleem wordt door diezelfde kiezers ook al snel gezien als dé oplossing. Tijdens de campagne van 2002 werd – zoals ook Tom van Dijk betoogt (Opiniepagina, 6 januari) – de interpretatie van Pim Fortuyn van de problemen van onveiligheid en integratie dominant in het publieke debat.

In algemene zin was in 2002 sprake van flinke verschuiving naar rechts in vergelijking met 1998. In de huidige campagne lijkt sprake te zijn van meer evenwicht. Een thema als de sociale zekerheid was in 2002 afwezig maar komt nu meer aan de orde. Uit ons onderzoek blijkt ook dat succes een belangrijke factor is geweest in de campagne van 2002 op weg naar nog meer succes. Als het duidelijk is wie wint of verliest, kiezen kiezers al snel de kant van de nieuwe winnaar. In 2002 kwamen de VVD en de PvdA daardoor in een stroomversnelling bergafwaarts terecht, terwijl de LPF juist profiteerde van dit effect. Bij de huidige campagne lijkt er bij de PvdA van Wouter Bos te profiteren van dit zogeheten bandwagon-effect.

Wat in 2002 ook veel effect heeft gehad is het nieuws in de media over feitelijke ontwikkelingen. Als een positief beeld wordt geschetst van de situatie is dat gunstig voor regeringspartijen en een negatief beeld is juist gunstig voor de oppositie. In de media klonk in het voorjaar van 2002 in alle toonaarden door dat het slecht ging met Nederland. Het ging bergafwaarts met de criminaliteitsbestrijding, met de bedrijfswinsten, met de integratie van immigranten, met de infrastructuur (bereikbaarheid, files, vertragingen), met de zorg, met het onderwijs en met de werkgelegenheid. De kiezers nemen het beeld over dat het bergafwaarts gaat en een meerderheid acht de paarse regeringspartijen `schuldig' aan de problemen.

We kunnen niet anders concluderen dat het nieuws gedurende de campagne in 2002 aantoonbaar in het voordeel van de LPF en het CDA heeft gewerkt. Het aanzetten van de paarse puinhopen in het nieuws en het centraal benadrukken van rechtse thema's en van de problematiek rond asielzoekers, heeft aan de basis gestaan van de aardverschuiving.

Om de verkiezingsuitslag te voorspellen en te begrijpen lijkt het niet langer relevant om de structurele veranderingen in het electoraat te bestuderen. Irwin en Holsteyn laten zien dat er, ondanks de winst van de rechtse partijen, voor wat betreft meningen en opvattingen nauwelijks sprake is geweest van een `ruk naar rechts' (Opiniepagina, 18 januari). Om de beweging van kiezers te begrijpen is communicatie-wetenschappelijk onderzoek nodig dat laat zien hoe het politieke debat in de media vorm krijgt.

Uit ons onderzoek blijkt dat media-effecten krachtig zijn. Dat brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Er mag van journalisten verwacht worden dat ze geen hype creëren, maar juist helpen om deze te voorkomen. Dat kan door het zorgvuldig en inhoudelijk volgen en verslaan van het politieke debat, zodat kritiek nooit als donderslag bij heldere hemel komt, maar is ingebed in een maatschappelijk discussie.

Bovenal moet de journalistiek er voor zorgen, problemen niet te overdrijven. Het belang en de omvang van de paarse puinhopen in zorg en onderwijs en van de problemen met asielzoekers en criminaliteit, kon nu volledig bepaald worden door Pim Fortuyn, omdat de journalistiek het bestaan van deze issues afmat aan de heftigheid van het politieke debat. Het bestaan van de issues werd niet of nauwelijks gerelateerd aan andere bronnen buiten de media om. Zo kon het gebeuren dat het beeld dat The Economist van Nederland schetste, dramatisch afweek van het beeld dat in de Nederlandse media ontstond.

De campagne van 2002 heeft spanning en sensatie teweeggebracht en in die zin de politiek dichter bij de burgers gebracht. Dit succes is echter maar oppervlakkig. De kans op een afhakende kiezer is vandaag levensgroot aanwezig. De positieve intenties van de nieuwe politiek om helder en duidelijk over te komen, kunnen leiden tot simplisme. Een `nieuwe' journalistiek die zich zelf tot primaire doel stel om politici snelle, korte en sappige uitspraken te ontlokken levert geen bijdrage aan het voorkomen hiervan. Ook dat is namelijk een manier om het politieke debat los te maken van de realiteit. De maatschappelijke realiteit is immers vaak te ingewikkeld om recht te worden gedaan met een korte sappige uitspraak. Als het politiek debat los raakt van de realiteit liggen cynisme en afhaakgedrag op de loer.

Onze samenleving vertoont karakteristieken van een hyperventilerende democratie: kiezer, politici en media zijn te gulzig en te oppervlakkig. Nodig is bewust politiek ademhalen: langer en dieper. Inhoudelijke informatie moet weer centraal staan in het politieke debat. Dat vraagt van politici de kunst om het verband te schetsen tussen het debat op het Binnenhof en de problemen in de samenleving en van media de bereidheid om de kijker en lezer de inhoudelijke informatie te verstrekken die nodig is om een bewuste partijkeuze te kunnen maken.

Aan dit artikel hebben bijgedragen: Anita van Hoof (universitair docent Communicatiewetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam), prof.dr. J. Kleinnijenhuis (hoogleraar Algemene Communicatiewetenscap aan de Vrije Universiteit), Dirk Oegema (universitair docent Communicatiewetenschap aan de Vrije Universiteit), dr. J. de Ridder (universitair hoofddocent Communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam), Rens Vliegenthart (student-assistent Communicatiewetenschap).