Kiezer had baat bij veel debat op de buis

Miljoenen mensen hebben de verkiezingsstrijd via tv gevolgd. Er is daarom geen sprake van informatiemoeheid, maar juist van honger naar informatie, meent Kees Brants.

Ze waren niet weg te slaan, de lijsttrekkers. Vanaf begin januari trokken ze avond aan avond in een bonte stoet aan ons voorbij. Wouter Bos, Jan Peter Balkenende en Gerrit Zalm streden om voorrang, zoals ook de omroepen vochten om hen in hun programma's te hebben. 's Avonds laat nog bij Nederland Kiest, Barend & Van Dorp of het late nieuws, in alle vroegte weer met een radio-interview, en even later lachend op de voorpagina's.

Drie anderen volgden op korte, maar bescheiden afstand: Jan Marijnissen leek ook publicitair wat te vroeg gepiekt te hebben, Femke Halsema had haar exposure zorgvuldig opgebouwd, Mat Herben moest er soms de zee voor in en heeft zijn explosie met betaalde publiciteit (spotjes, reclamevliegtuigjes) tot het laatst opgespaard. Rond de anderen was het beduidend stiller. Zij moesten uit de kleren, in de keuken, of zendtijd opkopen, maar zij ontbeerden toch het dagelijkse oog van de camera die hen in de huiskamer moest brengen.

Vijf kanalen hebben zich op de politiek gestort. Alleen bij Yorin, Net5 en V8 kon men nog `rust' vinden. Het nieuws ruimde extra tijd in, al werd er geen kwartier aan vastgeplakt zoals de BBC doet bij de Britse verkiezingen. Actualiteitenrubrieken probeerden nieuwe formats (Blind Date bij Netwerk) om met een andere `insteek' op te vallen temidden van hun concurrenten. Nova was even Nederland Kiest en stak, met een dubbelpresentatie en talkshowachtige formule, Barend & Van Dorp naar de kroon. Tussendoor werden we vergast op de zendtijd voor politieke partijen of – zoals vooral van SP en VVD – op tv-spotjes in de zendtijd van STER of IP.

En met grote regelmaat werd de mening, of meestal de politieke voorkeur, van het volk gevraagd: in peilingen, op straat, in de studio. Avond aan avond zijn we op de hoogte gehouden van de nek-aan-nek race tussen Balkenende en Bos. Na de bekendmaking van de kandidatuur van Job Cohen hadden afgelopen maandag drie verschillende programma's drie verschillende onderzoeksbureaus ingeschakeld om 's lands mening te meten.

Vooral het tv-debat lijkt aan populariteit te hebben gewonnen, nadat de rij was geopend bij RTL4 en nadat het een enorme electorale verschuiving teweeg had gebracht. Nog nooit zijn er in een Nederlandse verkiezingscampagne zoveel twee-, drie-, vier-, ja zelfs vijf- en zes-debatten geweest. Soms groots aangekondigd, soms als een vanzelfsprekend onderdeel van een actualiteitenrubriek; soms chaotisch, soms strak gestructureerd met de klok erbij. Politics is talk, zeggen de Amerikanen. Dat hebben we geweten.

Peilingen en politici vielen over elkaar heen. ,,Je wordt er gek van'', hoorde ik de afgelopen week voortdurend. Het was niet zelden het geweeklaag van mensen die uit een kennelijk masochisme toch iedere keer weer met de afstandsbediening de politici opzochten, maar de vraag naar een mogelijke overkill is wel gerechtvaardigd. Is de televisie of zijn de politici doorgeslagen en wordt daarmee een slechte dienst aan de burgers bewezen of misschien wel aan de democratie?

Ik denk van niet. Die enorme aandacht was zo gek nog niet. Vaak wordt de korte duur van de campagne als argument aangevoerd, maar de `echte' campagnes van 2002 en 1998 waren ook niet veel langer dan drie weken. Zij volgden alleen niet als een donderslag op de stilte tussen Kerst en oud en nieuw. Als echter 15 mei de merkwaardigste en meest dramatische naoorlogse verkiezing was, dan is dit misschien wel de belangrijkste. Fortuyn had de relatief stabiele partijpolitieke verhoudingen en de politieke cultuur van consensus op zijn kop gezet, en alle partijen zeiden ervan geleerd te hebben. Het was dus zaak hun nieuwe geluid te laten horen, te laten zien dat zij de achterkamertjes en het establishment hadden verlaten en hun oor meer te luister hadden gelegd bij het volk. Wat men ook van de retoriek van `de nieuwe politiek' vindt, het dreef de politici bijna de straat op en naar de camera's.

Sommige partijen moesten ook letterlijk een nieuw gezicht laten zien en dat vraagt om media-aandacht. Waar Balkenende als opvolger van De Hoop Scheffer maanden over deed, moesten Bos en Halsema in een kleine drie weken zien te bereiken. Bovendien is het publiek in ruim tien jaar tijd gefragmenteerd over een veelvoud aan kanalen. Willen ze via de televisie evenveel kiezers bereiken als tien jaar geleden, dan zullen politici ook alle zenders moeten bewandelen. Tegelijk versterkt dat alleen maar het beeld van alomtegenwoordigheid.

Ook de journalistiek was na 15 mei 2002 in verwarring: aarzelend over haar rol na beschuldiging van demonisering en hypen, ambivalent over hun vermeende politieke correctheid, en ambigu over waar het nieuws te halen, in Den Haag of op straat. De afgelopen campagne gaf de mogelijkheid aan die twijfel een eind te maken. Of de journalistiek massaal voor de straat heeft gekozen, valt te betwijfelen. Terecht ook, lijkt me; daar liggen misschien de issues, maar de besluitvorming en de macht liggen elders. De populistische problemen lijken wel ter sprake gekomen; door een wat eenzijdige focus, ook bij de politici, overigens ten koste van andere, zoals het milieu of Europa.

De ambivalentie over de verschillende rollen in de politieke communicatie verklaart misschien ook wel de populariteit van tv-debatten. Tot op zekere hoogte komt alles en iedereen aan bod, de journalisten kunnen kritische vragen stellen, maar politiek en politici staan centraal. Ze geven de laatsten ook de mogelijkheid zich inhoudelijk te positioneren en qua uitstraling als betrouwbaar en geloofwaardig te presenteren. Als kijkspel beantwoorden debatten tenslotte aan de wetmatigheden van televisie als amusementsmedium. Zo geven zij het publiek-als-kijker de ontspanning van het theatrale gebeuren en het publiek-als-kiezer de mogelijkheid een vergelijking te maken tussen standpunten en personen.

Daaraan heeft de kiezer – zowel de zwever, de twijfelaar als de overtuigde – kennelijk behoefte. Het RTL4-debat trok ruim twee miljoen kijkers. Zondagmiddag 12 januari keken bijna een miljoen mensen naar een radiodebat in Buitenhof. Gisteravond, tenslotte, zaten ruim drie miljoen mensen te kijken naar praattelevisie: zeven heren en een dame die anderhalf uur lang met elkaar over uiteenlopende zaken discussiëren. Voeg daar nog eens de gemiddeld viereneenhalf miljoen mensen bij die avond aan avond de nieuwsrubrieken van NOS, RTL en SBS bekijken en de twee miljoen die de Stemwijzer bezochten, en er is eerder sprake van informatiehonger dan informatiemoeheid.

Overdaad schaadt, houden wij Hollanders elkaar graag zuinigjes voor. In al hun overdaad verhogen debatten en peilingen echter niet alleen de spanning, maar ze zouden, gezien de electorale verschuivingen na het RTL-debat en de verwachtingen over de mogelijke effecten van gisteravond, ook wel eens kunnen bijdragen aan een gevoel dat je stem ertoe doet.

Prof.dr. K. Brants is verbonden aan de afdeling Communicatiewetenschap van de Universiteit van Amsterdam en het departement Politicologie van de Universiteit Leiden.

    • Kees Brants