`Frans-Duitse as is vooral kwestie van psychologie'

Inhoudelijk had het Elysée Verdrag niets om het lijf. Zijn kracht lag op het psychologische vlak, zegt getuige Edmund Wellenstein.

,,Niets, helemaal niets merkten wij van dat verdrag in ons dagelijks werk.'' Met lichte verontwaardiging beziet Edmund Wellenstein het uitgebreide feest dat Frankrijk en Duitsland dezer dagen afwerken rond de veertigste verjaardag van het Elysée Verdrag. Hij zat er destijds met zijn neus bovenop: eerst als secretaris-generaal van de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, vanaf 1967 als directeur-generaal voor de Buitenlandse Handel van de Europese Commissie, en ten slotte van 1973 tot 1976 als directeur-generaal voor de Buitenlandse Betrekkingen van de Europese Commissie. En hij zegt: niets van gemerkt.

Geen misverstand, waarschuwt de inmiddels 83-jarige Wellenstein. Dat Europese topambtenaren niets van het Elysée Verdrag merkten, betekent niet dat het onbelangrijk was. ,,Voor de operationele praktijk van de Europese integratie mag het geen enkele betekenis hebben gehad, op het psychologische vlak heeft het verdrag wel degelijk gewerkt.''

Vooral voor Frankrijk zelf, taxeert Wellenstein. De Gaulle was sinds 1958 aan de macht en had net zijn hand overspeeld met het plan-Fouchet, dat voorzag in een politieke unie naar Franse snit tussen de zes toenmalige EEG-landen. ,,Nadat het plan-Fouchet was mislukt zei De Gaulle, die toch al niet veel moest hebben van het vervelende gedoe met die kleine landen: dan doen we het met z'n tweeën, Frankrijk en Duitsland, buiten de geïnstitutionaliseerde samenwerking in de EEG om. Met behulp van het Elysée Verdrag slaagde hij erin van de Frans-Duitse samenwerking een patriottistische zaak te maken. Dat was zonder De Gaulle nooit gelukt. Dankzij de allure die hij eraan gaf werd het salonfähig voor de Franse politieke elite om zich erachter te scharen. Alleen de communisten deden niet mee.''

In de Europese praktijk had het Frans-Duitse verdrag echter niets om het lijf, zegt Wellenstein. ,,De Gaulle had een hele lijst met voorwaarden over zaken die hij buiten de Europese instellingen om wilde gaan regelen. Maar die voorwaarden werden successievelijk uitgekleed, van een fraai tekstje voorzien en mooi verpakt. Inhoudelijk was het over en uit. Er restte een leeg verdrag. Dat werd nog eens onderstreept in de preambule die de Duitse Bondsdag er aan toevoegde en waarin de oorspronkelijke ambities van De Gaulle volledig onderuit werden gehaald.''

Ruim twee jaar later heeft De Gaulle volgens Wellenstein nog ,,een laatste poging'' gedaan om de EEG-instellingen (Europese Commissie, Raad van Ministers en Europees Parlement) ,,naar beneden te drukken''. De Franse zetel in de Raad van Ministers bleef leeg, waardoor geen besluiten konden worden genomen. Zeven maanden duurde deze `lege-stoel-crisis'; toen bond De Gaulle alsnog in. Sindsdien zijn problemen opgelost binnen de Europese instellingen, hoe moeizaam soms ook.

Ook bijna veertig jaar later zit de betekenis van het Frans-Duitse verdrag uitsluitend tussen de oren van de politieke erfgenamen van De Gaulle en Adenauer, zegt Wellenstein, die nog steeds geldt als secuur volger van en geïnspireerd deelnemer aan het Europese discours. Ervaring leert dat de voortgang van de Europese integratie valt of staat met de Frans-Duitse samenwerking. ,,Eigelijk kan geen van beide landen het zich veroorloven dat gegeven te negeren. Je weet het natuurlijk nooit zeker, maar het zou een geweldige deconfiture zijn als dat toch zou gebeuren.''

Wel moet Frankrijk volgens Wellenstein sinds de val van de Muur ,,beter zijn best doen om met Duitsland tot overeenstemming te komen''. Dat is door Parijs een tijdje onderschat met als gevolg dat Duitsland in de Franse perceptie ,,begon weg te glippen''. Maar Jacques Chirac, president sinds 1995, heeft weer meer oog gekregen voor de gewijzigde positie van het herenigde buurland.

Het meest recente voorbeeld daarvan betreft de gezamenlijke inbreng voor de Conventie over de toekomst van Europa. Beide landen hebben vanuit hun traditionele voorkeuren voor een meer federaal (Duitsland) danwel intergouvernementeel (Frankrijk) ingericht Europa ,,een majeure beweging'' gemaakt, vindt Wellenstein.

In eerste instantie was zijn indruk dat vooral Duitsland concessies had gedaan, maar bij precieze lezing stelt hij vast dat juist Frankrijk nogal wat concessies heeft gedaan. ,,Er zitten heel wat Fischer-punten in'', zegt Wellenstein onder verwijzing naar de opvattingen van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer. ,,Frankrijk heeft wel een Europese president bedongen, maar die gaat het niet halen, althans niet in de voorgestelde vorm'', voorspelt hij. Alleen de lichtere variant – een president uit de kring van de regeringsleiders zelf en met een meer representatieve dan sturende rol – maakt volgens hem kans.

    • Joop Meijnen