De kletsende klasse

Klachten van scholieren en leraren over het te zware programma van de tweede fase in vwo en havo hebben geleid tot een voorstel om te snijden in de exacte vakken. In de nieuwe opzet verdwijnt het vak natuurkunde uit het profiel `natuur en gezondheid' en wordt wiskunde over de hele linie afgezwakt. De eisen voor de talen worden her en der trouwens weer wat opgeschroefd, zodat je je kunt afvragen of deze herverdeling van lesuren en niveau-eisen het beoogde effect van verlichting zal sorteren. De essentie van de klachten lag, naar ik begreep, niet zozeer in de vakken zelf of in de niveau-eisen, maar vooral in het soort activiteiten dat leerlingen moesten ontplooien: een eindeloze hoeveelheid arbeidsintensieve werkstukken, spreekbeurten, praktijkopdrachten en zogenaamd creatieve zoek-maareens-op-het-internet-en-wat-vind-je-erzelf-van-taken. Leerlingen maken bezwaar tegen deze omslachtige manier van werken, terwijl ze ook nog eens geacht worden zelfwerkzaamheid leuk te vinden.

De nieuwe opzet verandert niets aan deze onderwijsmethodiek, maar wel worden de bètavakken uitgekleed en gemarginaliseerd, terwijl toch al zo weinig leerlingen exacte profielen kiezen. Terecht protesteren de bètawetenschappen en de technische universiteiten tegen deze plannen. Het wordt steeds moeilijker om studenten voor de exacte richtingen te krijgen. Dit heeft overigens minder te maken met hoe deze vakken op de middelbare school worden gegeven, als wel met de veel ingewikkelder profielkeuze die leerlingen moeten maken. Vroeger stelde die keuze op vwo-niveau niets voor. Je had alfa en bèta (of A en B op het atheneum) en als je goed was in de exacte vakken deed je vanzelfsprekend B of bèta. Die talen zaten er toch wel bij of kon je aanvullen in de vorm van keuzevakken en de heel slimmen deden gewoon een dubbel eindexamen in bèta plus alfavakken. Maar ook een zuiver B-diploma gaf toegang tot alle mogelijke vervolgopleidingen. Dat is nu nog steeds zo, maar de keuze uit vier profielen in plaats van twee richtingen maakt de afweging nodeloos zwaar. Het gaat ineens niet meer alleen om `wat kan ik?' maar ook om `wat vind ik leuk?'

Mijn eigen zoon is zo op jonge leeftijd verloren gegaan voor de exacte wetenschappen. Ja, hij kon uitstekend uit de voeten met natuur- en scheikunde, maar hij vond geschiedenis en economie toch leuker. Dat is jammer, want alfa- en gamma-kennis kun je ook uit jezelf oppikken, als je er toch in bent geïnteresseerd, terwijl dat met bèta-kennis niet gebeurt. Moleculair-bioloog Ronald Plasterk kan moeiteloos een nevenactiviteit als columnist ontwikkelen (het schrijven van zo'n stukje kost hem naar eigen zeggen een half uur), maar econoom-politicus Wouter Bos kan vast geen wetenschappelijke artikelen over DNA-onderzoek begrijpen.

De aantrekkingskracht van de chattering classes met hun belofte van macht, invloed, status en geld verdienen staat haaks op de nerdy stuff van de btawetenschappen. Het is niet verwonderlijk dat de `leuke' alfa- en gammaprofielen potentiële bèta-talenten wegzuigen. Dat is vooral treurig voor de exacte wetenschappen zelf, niet zozeer voor de leerlingen die keuzes maken, want vanaf het vwo komen ze toch wel goed terecht.

Bij het vmbo is merkwaardig genoeg precies het omgekeerde gaande. Leerlingen die best aardigheid zouden hebben in hout- of metaalbewerking worden door hun ouders geprest om toch een zo theoretisch mogelijke leerweg te kiezen. Ouders denken (ten onrechte) dat dat later meer geld oplevert. Hier geldt dus niet `kies wat je leuk vindt', maar `kies wat moeilijk voor je is'. Zo belandt iedereen in de toch al uitpuilende kletsende klasse. Misschien moeten middelbare scholieren gewoon maar `kiezen waar ze goed in zijn'. Wat leuk is komt later wel.

    • Beatrijs Ritsema