België heeft Maas in beton gegoten

De Maas stroomt in België door een smal dal, waarin nauwelijks water kan worden opgeslagen. Afremmen van de watergolf na een regenperiode kan alleen langs de zijrivieren.

Het water is grijs. Het laatste licht van de dag valt over de golfjes van de Maas in Ahin, een dorpje bij Huy in de Belgische Ardennen. Op straat staan nog de metershoge zandzakken, die het rivierwater de afgelopen weken hebben tegengehouden.

Niet overal is dat gelukt. Op het laagste punt van de straat is het water via de riolering de huizen binnengedrongen. Het zette de binnenhof en de wijnkelder van de dierenarts blank. Zijn vrouw vertelt dat dit de derde keer was dat het huis is ondergelopen in de achttien jaar dat zij hier woont. Dit keer was het minder erg. Het behang is niet nat geworden. Het hout van de deuren en drempels is niet kromgetrokken. Zo hoog is het water niet gekomen. En de wijn in de kelder is tegen hoogwater bestand. Ze denken er voorlopig niet over om te verhuizen, ze blijven bij de Maas.

Huy is een van de laatste plaatsen langs de Belgische Maas waar nog wat aan de rivier valt te verbeteren. Mede op instigatie van een politiek actieve burgemeester, Anne-Marie Lizin, wordt er gewerkt aan het verhogen van oevers in het centrum van Huy. Er komen demontabele keringen, en in Ahin zal het talud worden verhoogd.

De rest van België, althans langs de Maas, is min of meer af. In de jaren twintig van de vorige eeuw stonden Namen en Luik onder water, een grote ramp die het begin markeerde van de waterbouwkundige werken die in totaal zeventig jaar hebben geduurd, en die vorig jaar werden besloten met de oplevering van een stuw in Hastière.

Het werk is gedaan, de Belgen zijn relatief veilig. Tijdens het hoogwater in 1993 en in 1995 was de vloed vergelijkbaar met die van zeventig jaar eerder, maar deze keren stonden Namen en Luik niet onder water.

De Belgen hebben gedaan wat zij konden. De Maas is uitgediept en verbreed. Er zijn stuwdammen aangelegd. Handmatig bediende naaldstuwen die alleen open en dicht konden, zijn vervangen door meer verfijnde kunstwerken. Paul Dewil, ingenieur bij de Waalse regering in Namen, kent de Nederlandse verwijten dat de Belgen de Maas in beton hebben gegoten en daardoor sneller laten stromen dan voordelig is voor Nederland, zoals onder anderen wordt geconstateerd door Roel Zijlmans, de Nederlandse voorzitter van de Internationale Commissie ter Bescherming van de Maas (ICBM) in Luik. Maar er is geen alternatief om de Belgische bevolking tegen hoogwater te beschermen, zegt Dewil. Hij weet dat waterloopkundigen meer overstromingsvlaktes in België wensen, waar het overtollige water kan worden vastgehouden. Maar er zijn in België geen vlaktes langs de Maas. Er zijn alleen smalle dalen waar de rivier zich doorheen wringt. Langs de Waalse Maas liggen geen liefelijke weiden, zoals in Frankrijk, maar bergen en huizen. En de grond is er hard en ondoordringbaar, de bodem werkt niet als een spons.

Wat overblijft in België zijn aanpassingen van de zijrivieren van de Maas. De Ourthe. De Lesse. De Vesdre. De Amblève. Langs deze rivieren worden bouwbeperkingen ingevoerd. Er zijn stuwen geplaatst. Het risico van overstromingen is bij deze rivieren nog groot. En daar komt ook veel regenwater vandaan dat, eenmaal in een beek beland, binnen een etmaal Maastricht heeft bereikt. Er zijn ooit plannen gemaakt om in deze streken een stuwmeer te bouwen dat zo veel water kon bergen dat elk gevaar zou zijn geweken. Maar de aanleg van zo'n bekken zou een ecologische ramp betekenen, zeggen ingenieurs en natuurbeschermers, een ingreep die bovendien ingaat tegen de Europese Kaderrichtlijn Water en het Maasverdrag, die onder meer bepalen dat het stroomgebied van een rivier zo veel mogelijk in haar natuurlijke staat moet worden beheerd.

Een beter idee is wellicht het vasthouden van water op de plaats waar het meeste valt, op de hoogvlaktes in de Belgische Ardennen. Het Wereld Natuur Fonds is begonnen met proefprojecten. In samenwerking met lokale natuurvrienden wordt boerengrond aangekocht op onrendabele percelen, de diepst gelegen stukken land waar het te nat is om goed te boeren.

Drijvende kracht achter dit project is de Nederlandse natuurbeschermer Willem Overmars. Hij reed ooit de hele Maas af om te concluderen dat de Belgen misschien wel gelijk hebben als ze zeggen dat er weinig ruimte is om water langs de Maas op overstromingsvlaktes vast te houden. Af en toe een veld met anemonen, daar houdt het volgens Overmars wel mee op. Maar de hoogvlaktes in de Ardennen zijn een ander verhaal. In de oostelijk Ardennen, tegen de Duitse grens, liggen brede dalen waar de beginnende rivieren nu al veel water verliezen, maar waar nog veel meer water kan worden vastgehouden als er meer moerasachtige ruigtes zouden zijn. Overmars rijdt in een zwarte bestelauto door het besneeuwde land en stopt in natuurgebieden met greppels die hij zou willen dichtgooien, zodat het water niet meteen afstroomt naar een beek, maar stilstaat in de ruigte, in één groot siepelend moeras. Overmars zou willen dat hydrologen meten wat precies het effect is van het dichtgooien van een sloot. Hij wil de oplossing van de natuurbeschermers niet mooier voorstellen dan zij is. Niet de gehele wateroverlast in Limburg zal door het Ardennen-offensief van het Wereld Natuur Fonds verdwijnen, maar wel zal naar 50 tot 200 kuub per seconde minder water Maastricht binnenstromen, en dat is toch een derde van het problematische surplus.

Het ideaal van de natuurbeschermers is te zien in het dal van de Holzwarche, een riviertje waarvan een groot deel van het water verdwijnt in het riet langs de brede oevers. Een beekdal zoals ooit alle beekdalen geweest moeten zijn. Hier blijkt hoe goed watermanagement en natuurherstel samen kunnen gaan, zegt Overmars, want in de zomer staat deze vallei vol wilde narcissen, en iets mooiers dan dat, zegt hij, heeft hij zelden gezien.

Dit is het derde artikel in een serie over de Maas. De vorige artikelen verschenen op 18 en 20 januari.