Avant-garde blijft in Rotterdam

Vandaag begint het International Film Festival Rotterdam. Net als in 1988 zal er op het festival een `filmparlement' worden georganiseerd.

Zeventien bezoekers telde de Rotterdamse kunstwethouder De Vos op 28 juni 1972 in Calypso bij de openingsvoorstelling van de eerste editie van het festival Film International, De postbode van de Iraanse regisseur Darius Mehrjui. In de biografie van oprichter Huub Bals Que le tigre danse beschrijven Jan Heijs en Frans Westra hoe de wethouder tegen de directeur van de Rotterdamse Kunststichting Adriaan van der Staay de historische woorden sprak: ,,Dit kan ik zo niet openen!'' Zo bleef de officiële opening uit, maar het kwam goed met het elitaire filmfeestje van Bals. Dat jaar werden er 4.500 bezoekers geteld, in 2002 waren het er 350.000. Zelfs wie kunst alleen maar interessant vindt wanneer die brede publieksgroepen aanspreekt, kan niet om het succes van het International Film Festival Rotterdam heen. Het bijzondere is de desondanks niet te loochenen continuïteit van de artistieke, avant-gardistische uitgangspunten van het festival. Niet alleen is Mehrjui dit jaar terug met een film (Bemani), dat geldt voor nog twee gasten uit 1972. De Brit Stephen Dwoskin presenteert twee korte videos, en van de Duitse koning van de operateske kitsch Werner Schroeter wordt in het hoofdprogramma Deux met Isabelle Huppert vertoond. Het moet niet moeilijk zijn om in de catalogus van elk festivaljaar een aantal filmers aan te wijzen die er dit jaar weer bij zijn.

Naast die historische continuïteit zijn er ook verschillen aan te wijzen. Zo is de kans dat een festivalbezoeker alle vier de in de vorige alinea genoemde films daadwerkelijk zal zien, vrijwel nihil. De enorme hoeveelheid geselecteerde films en de desondanks gigantische verschillen tussen vraag en aanbod van beschikbare kaartjes, maken de lijst van films die een festivalbezoeker uiteindelijk te zien krijgt, tot een tombola.

Een zinnige vraag lijkt dus waarom bij de distributie van de op het festival uiterst populaire films gedurende de rest van het jaar de voorstellingen nooit uitverkocht zijn. De ambiance van een festival, waar je geweest moet zijn, levert wellicht een bevredigende sociologische verklaring van het fenomeen, maar nog geen oplossing van het economische probleem, dat de producent van een film weinig geld overhoudt aan festivalvertoningen, en bij de distributie nauwelijks meer verdient.

De vraag komt aan de orde tijdens de tweede zitting van het Rotterdamse Filmparlement, een bijeenkomst van filmprofessionals die moet uitmonden in concrete voorstellen en politieke maatregelen. De eerste zitting van het Rotterdamse Filmparlement, in 1988 in diergaarde Blijdorp, leidde onder meer tot de instelling van het Hubert Bals Film Fund, ter ondersteuning van de productie van films in ontwikkelingslanden, en de Cinemart, de Rotterdamse coproductiemarkt op basis van streng op kwaliteit geselecteerde scenario's. Beide blijken van cruciale invloed te zijn, ook voor de positieve reputatie van het festival, en beide zijn door talrijke festivals geïmiteerd. Het moet een hele klus worden voor de tweede parlementssessie om met even goede ideeën op de proppen te komen.

Een toevoeging aan het programma is dit jaar de Amnesty International DOEN Award. Net als tijdens de laatste editie van IDFA kent een internationale jury (dit keer onder leiding van ex-minister J. Pronk) aan een van tien tevoren uitgezochte films een prijs toe voor het belichten van de mensenrechten. In aanmerking komen zowel expliciet politieke films zoals Divine Intervention van Elia Suleiman, over het Palestijns-Israëlische conflict, als films die gewoon over arme sloebers gaan. De voortreffelijke gangsterfilm Cidade de deus van de Braziliaan Fernando Meirelles behandelt bijvoorbeeld overtuigend de cirkel van crimineel geweld in een sloppenwijk van Rio, maar of bekroning van zo'n film de mensenrechtensituatie verbetert, dat valt te betwijfelen.