Parijs en Berlijn moeten snel keuzes maken

Frankrijk en Duitsland moeten hun slechte nationale gewoonten loslaten en hun sociale voorzieningen en arbeidsmarkt hervormen, vindt Michael Mertes.

Frankrijk en Duitsland hebben alle reden het wonder van hun vriendschap te vieren, die veertig jaar geleden werd bezegeld door het Elysée-verdrag. Maar ze hebben geen reden tot tevredenheid over de staat waarin die vriendschap op het ogenblik verkeert.

In zijn befaamde toespraak aan de universiteit van Zürich in 1946 beklemtoonde Winston Churchill dat de ,,eerste stap om weer een Europese familie te vormen een bondgenootschap tussen Frankrijk en Duitsland zou moeten zijn.'' De Frans-Duitse verzoening onder leiding van mannen als generaal Charles de Gaulle en Konrad Adenauer maakte in Europa de verbazingwekkende naoorlogse successen mogelijk.

De laatste mijlpaal in het Frans-Duitse bondgenootschap was het Verdrag van Maastricht, gesloten in 1991. Het herenigde Duitsland deed afstand van zijn geliefde munt, de Deutschmark, om de Europese integratie te bevorderen, maar ook om de Franse angst te sussen dat Duitsland klaarstond om de monetaire hegemonie over Europa te vestigen.

De legendarische duo's uit het verleden – De Gaulle en Adenauer, Valéry Giscard d'Estaing en Helmut Schmidt, François Mitterrand en Helmut Kohl – zijn evenwel niet opgevolgd door een vergelijkbaar tweetal. Dit is niet alleen een kwestie van persoonlijke chemie tussen Jacques Chirac en Gerhard Schröder. De diepere oorzaak van de recente verwijdering en nationale wedijver is de Duitse hereniging, die het evenwicht tussen de twee landen heeft verstoord. De Duitse deling leidde min of meer tot een demografische gelijkheid tussen Fransen en West-Duitsers. Het herenigde Duitsland telt daarentegen zo'n 80 miljoen mensen en Frankrijk maar 60 miljoen.

Bovendien was er een `evenwicht van onevenwichtigheid' dat bijdroeg tot een gevoel van gelijkheid. West-Duitsland had een sterkere economie, maar Frankrijk was een kernmacht en had als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad een vetorecht.

Duitsland heeft langgeleden afgezien van het bezit van kernwapens en het zal waarschijnlijk niet zo gauw een permanent lid van de Veiligheidsraad worden. Toch krijgt uit Frans oogpunt Duitsland meer gewicht door de EU-uitbreiding naar het oosten. Het toekomstige `Europa van de 27' zal heel anders zijn dan het `Europa van de Zes' dat De Gaulle en Adenauer overzagen. In de EU van morgen lijkt Berlijn inmiddels een centralere geografische positie in te nemen en is Parijs naar de rand verschoven.

Duitse kanseliers hebben altijd een gematigde toon tegen de Franse regering aangeslagen, maar Schröder gedraagt zich assertief, waardoor op de EU-top van december 2000 in Nice de Frans-Duitse betrekkingen op het diepste punt in veertig jaar belandden. Chirac hield vast aan een volstrekt gelijke stem van Frankrijk en Duitsland in de Raad van Ministers van de EU, met voorbijgaan aan hun demografische ongelijkheid. Schröder leek niet in te zien welk enorm symbolisch belang zijn bondgenoot aan deze kwestie hechtte.

Nog belangrijker was dat de bijeenkomst van Nice liet zien hoe ver de Franse en Duitse ideeën over de Europese integratie inmiddels uiteenlopen. Terwijl de Franse voorkeur uitgaat naar een intergouvernementele aanpak, blijft Duitsland bereid meer nationale soevereiniteit aan Brussel over te dragen.

Frankrijk en Duitsland grijpen hun huwelijksjubileum aan om hun bondgenootschap nieuw leven in te blazen. Chirac en Schröder gaven al een voorproefje toen ze voorstelden de EU te laten leiden door een duo-voorzitterschap: een voorzitter van de Europese Raad (gekozen door de regeringshoofden) en een voorzitter van de Commissie (gekozen door het Europese Parlement). Dit compromis probeert het onmogelijke te verenigen, namelijk de intergouvernementele en de unionistische benadering.

Beide regeringen lijken ervan overtuigd dat meer Frans-Duits topberaad hun echtelijke crisis zal verhelpen. Ook zal de buitensporigheid van de jubileumvieringen in Versailles omgekeerd evenredig aan hun politieke belang zijn.

Het werkelijke probleem is dat een herleving van het Frans-Duitse bondgenootschap moet berusten op een pro-Europese agenda en dat beide landen niet domweg moeten vasthouden aan slechte nationale gewoonten. Helaas zijn er zorgwekkende tekenen dat dit wel het geval is.

Zo is Frankrijk bijvoorbeeld nog altijd niet bereid tot een fundamentele hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid van de EU, waarvan het de voornaamste begunstigde is. Afgelopen herfst is Duitsland, dat de grootste bijdrage aan de EU-begroting levert, akkoord gegaan met een compromis waarin het huidige gemeenschappelijke landbouwbeleid nog tien jaar wordt gehandhaafd. Als gevolg daarvan zullen de boeren in de toekomstige lidstaten bij hun toetreding in 2004 maar 25 procent ontvangen van de rechtstreekse betalingen aan hun West-Europese collega's, en pas in 2013 gelijk behandeld worden.

Duitsland is op zijn beurt beter in de ondertekening van akkoorden inzake een verhoogde defensiesamenwerking tussen de Europeanen, dan in de uitvoering ervan. Het weigerde onlangs het volledige aantal Airbus-troepentransportvliegtuigen te kopen dat het beloofd had aan te schaffen.

En het allerbelangrijkste is dat in beide landen de politieke vastbeslotenheid ontbreekt om te beginnen met de hervormingen van de sociale voorzieningen en de arbeidsmarkt die allang noodzakelijk zijn. Dat is niet alleen een binnenlandse kwestie. Als belangrijkste eurolanden hebben Frankrijk en Duitsland een bijzondere verantwoordelijkheid voor een gezonde Europese economie met een geloofwaardige munt.

Laten Frankrijk en Duitsland dan ook maar genieten van hun viering in Versailles. Als het feest voorbij is, moeten er moeilijke keuzen worden gemaakt. Dan is er geen tijd meer voor nostalgie.

Michael Mertes, voormalig buitenland-adviseur van Helmut Kohl, is verbonden aan Dimap Consult, een commerciële denktank. ©Project Syndicate