Oorlogsparadox

J.L. Heldring liet zich vorige week wat laatdunkend uit over de `café society van Amsterdam en elders' waar gedacht werd dat president Bush dom was. Afgezien van die café society, die tot mijn grote spijt in Amsterdam niet bestaat, ben ik het met hem eens. Er is geen reden om aan te nemen dat Bush dom is.

Door zijn schommelende gang, met de armen gestrekt naar beneden langs het lijf, lijkt het natuurlijk wel zo, maar dat vind ik geen argument.

De mening dat Bush dom zou zijn overheerst bij mijn Amerikaanse vrienden. Waarom dan? Ze noemen een paar redenen. Is dat niet eerder slecht dan dom? vraag ik. Maar dat idee is onbespreekbaar. Hun president mag dom zijn, maar het is ondenkbaar dat hij slecht zou zijn.

Ze zijn aanhangers van de Democratische Partij en hoe meer de politieke verlangens van die partij weggevaagd worden, zowel op binnenlands als op buitenlands terrein, des te hardnekkiger klampen ze zich vast aan de schrale troost van de machteloze, de gedachte dat de tegenpartij dom is.

Er stond meer in die column van Heldring waar ik het mee eens was. Hij noemt de oorlog tegen Irak een ramp, niet alleen voor Irak. Hij wijst er op dat die oorlog talloze Arabische en andere moslims in de armen van het terrorisme zal drijven. Hij hoopt dat de oorlog niet doorgaat.

Maar omdat Heldring iemand is die de paradox niet schuwt, was zijn column tegelijk een pleidooi om iedere kritiek op de oorlogsvoorbereiding achterwege te laten. Immers, die voorbereiding heeft het nuttige effect gehad dat Saddam inbond en de wapeninspecteurs toeliet. Misschien was het wel de bedoeling van Bush dat het bij voorbereiding blijft en dat er niet echt oorlog komt. We moeten hem het voordeel van de twijfel geven, vindt Heldring, al oppert hij ook de mogelijkheid dat die voorbereidingen op zichzelf een situatie zullen scheppen waarin de oorlog niet meer te vermijden is, ook als hij oorspronkelijk niet gewild was.

Hoe lang moeten we dat voordeel van de twijfel blijven geven? De vraag wordt in de kop van Heldrings column gesteld en niet beantwoord. Als we zijn redenering volgen is het logische antwoord: tot de oorlog daadwerkelijk begint. Tot die tijd zou het voorbarig zijn om kritiek op Bush te hebben, en zelfs contraproductief. Kritiek op de oorlogsvoorbereiding zou immers kunnen betekenen dat Saddam zich gesterkt voelt en zich schrap zet, en dat zou het uitbreken van de oorlog juist waarschijnlijker maken. Kortom, wie tegen de oorlog is moet eigenlijk net doen of hij ervoor is, alleen op die manier is er een kans om hem tegen te houden.

Je krijgt de indruk dat de Europese politici deze paradoxale redeneertrant tot de hunne hebben gemaakt. Afgezien van Blair, die op goed Engelse manier voor iedere oorlog is die in zicht komt, siddert Europa, maar in de politiek merk je er weinig van. Af en toe moeten de politici zich natuurlijk wel eens uitspreken, maar ze doen het op gedempte toon.

In onze verkiezingscampagne werd het voor en tegen van de oorlogsramp niet besproken. Als het onderwerp al aan de orde kwam, ging het alleen om de vraag of GroenLinks en de SP, de partijen die tegen de oorlog zijn, zich daarmee `buiten spel' hebben gezet.

In de Volkskrant wordt vanochtend het Amerikaanse blad Newsweek geciteerd: ,,Alleen Blair kan ons voor oorlog behoeden.'' Juist omdat het lijkt alsof hij staat te popelen. Ook bij Newsweek heeft het paradoxale denken kennelijk ingang gevonden.

Straks worden de paradoxale spinsels weggevaagd door de werkelijkheid. De Europese politici zullen later uitleggen dat ze de oorlog probeerden te stoppen door hem te steunen en als ze slim zijn beroepen ze zich op Heldring.

    • Hans Ree