Naar de stembus

Nederland heeft de afgelopen tweeëneenhalve week een even snelle als enerverende verkiezingscampagne beleefd. Vanaf het begin was duidelijk dat er voor alle partijen veel viel te verdienen dan wel te verliezen. Het moderne electoraat is immers wispelturig en bovendien uiterst conjunctuurgevoelig. Dat betekent dat de laatste weken voor een verkiezing bepalend kunnen zijn. De gang van zaken in de nu afgesloten campagne bewijst dat. De strijd die morgen in de stemhokjes wordt beslecht, heeft een heel ander aanzien gekregen dan begin deze maand nog werd verwacht. Bij de start van de campagne was de vraag of CDA en VVD samen een meerderheid zouden weten te behalen om zonder de LPF hun coalitie voort te kunnen zetten. Die vraag is morgen nog steeds aan de orde, maar is in de schaduw komen te staan van de enkele weken geleden nog in het geheel niet voorziene race tussen CDA en PvdA. Welke van deze twee partijen zal morgen als grootste eindigen en kan daarmee het initiatief bij de kabinetsformatie nemen, is nu de inzet van de verkiezingen geworden. Zo'n tweestrijd leidt tot een vertekend beeld. Het gaat morgen om de samenstelling van de volksvertegenwoordiging en niet om de toekomstige bewoner van het Torentje. Maar omdat in de hedendaagse strijd om de kiezer de machtsvraag een steeds belangrijker rol speelt, is het niet-verkiesbare premierschap de dominante factor geworden.

Het is een ontwikkeling die al geruime tijd gaande is, en die de vraag oproept of een fundamentele herziening van het kiesstelsel niet noodzakelijk is. De radicaalste oplossing is de rechtstreekse verkiezing van de minister-president, zoals 37 jaar na de oprichting van D66 nu ook plotseling door PvdA-leider Bos wordt geopperd. Dit kan echter leiden tot bestuurlijke inertie, zoals in Israël blijkt. Maar er zijn ook manieren om de eigenstandige rol van het parlement te benadrukken. Te denken valt dan aan het Duitse kiesstelsel, waarin een veel grotere plaats voor regionale kandidaten (en een daarmee samenhangende strijd) is weggelegd. De afgelopen jaren is zowel vanuit het CDA als de PvdA meer dan eens naar het kiesstelsel van de oosterburen verwezen als een mogelijke verbetering. Tot concrete voorstellen heeft dit nimmer geleid.

Hoe het ook zij: de ervaring van de jongste campagne toont wederom aan dat serieus over het systeem moet worden nagedacht. Met de evenredige vertegenwoordiging heeft Nederland indertijd gekozen voor een stelsel waarbij elke stem telt. Maar in het mede door de media aangewakkerde campagnegeweld waarbij het telkens lijkt te gaan om de verkiezing van de nieuwe premier of het nieuwe kabinet, delven de partijen die niet direct bij de machtsvraag betrokken zijn het onderspit. Hoe moeilijk het voor hen was zich te manifesteren bleek ook dit keer weer. De meeste aandacht ging naar de partijen die straks in de kabinetsformatie het spel kunnen meespelen. In dat opzicht is de razendsnelle terugkeer van de PvdA, na de klap van vorig jaar, zonder meer de grote verrassing van deze campagne. Maar waar is deze aan te danken? PvdA-leider Bos maakte op 3 januari tijdens het eerste televisiedebat met de collega-lijsttrekkers van CDA, VVD en SP geen fouten. Vervolgens heeft het positieve oordeel over het optreden van de politieke nieuweling Bos een geheel eigen dynamiek gekregen.

Met de wind in de rug van telkens gunstiger peilingen heeft de PvdA in de campagne het initiatief niet meer uit handen gegeven. Daarmee bracht de partij les één van het handboek campagne voeren in praktijk. De afgelopen tien dagen sprak de politieke concurrentie over nauwelijks iets anders dan de plotselinge opmars van de PvdA en de daaraan verbonden consequenties. Zo kan achteraf bezien geconcludeerd worden dat de `eis' van CDA en VVD aan het adres van Wouter Bos om met een naam voor een kandidaat-premier te komen alleen maar in het publicitaire voordeel van de PvdA heeft gewerkt.

De geconcentreerde aandacht op de wederopstanding van de PvdA is ten koste gegaan van de inhoudelijke vraagstukken. Ook niet bevorderlijk voor het inhoudelijke debat was dat de essentiële geschilpunten die aan het licht kwamen, niet de zaken zijn die werkelijk onder het electoraat leven. Vanuit Haagse optiek was het terecht dat CDA-leider Balkenende en zijn VVD-collega Zalm de financiële soliditeit van het PvdA-programma ter discussie stelden. Maar zij hadden zeker na de ervaringen van vorig jaar toch moeten weten dat een debat tot achter de komma over het mogelijke tekort op de begroting in 2007 weinig kiezers in beweging brengt. Opmerkelijk trouwens is dat het integratievraagstuk – alom gezien als een van de oorzaken van de `opstand der burgers' van het afgelopen jaar – in deze campagne nauwelijks nog een thema was. Niet omdat men niet wilde, maar omdat over de noodzaak van integratie gekoppeld aan strenge regels voor immigratie inmiddels tussen de meeste partijen brede consensus bestaat. Voorzover er discussie was, ging deze – zeer Hollands – over de financiering van de inburgeringsplannen.

De verkiezingscampagne is bijna voorbij. Het was nog meer dan voorheen een beeldbuiscampagne. De televisiekijker heeft politici zich de afgelopen weken in de meest vreemde bochten zien wringen voor enkele felbegeerde secondes gratis zendtijd. Alleen daarom al is het goed dat de campagne kort duurde. Het verzadigingspunt was bereikt. Het woord is nu aan de kiezer. De partijen hebben hun intenties duidelijk gemaakt. De uitslag van de verkiezingen zal uitmaken of Nederland straks geregeerd zal worden door centrum-rechts of centrum-links. Het CDA en de VVD willen het liefst met elkaar door en vragen daarvoor een mandaat. De PvdA heeft zich opgeworpen als trekker van het centrum-linkse alternatief. Het is voor Nederlandse begrippen heel wat dat deze duidelijkheid al vóór de verkiezingen bestaat. Hierdoor valt morgen in elk geval wat te kiezen.