In het onderwijs voltrekt zich een ramp

De kwaliteit van het onderwijs staat onder druk, maar de politiek doet alsof het wel meevalt. Het is de hoogste tijd voor een parlementaire enquête naar het onderwijsbeleid sinds begin jaren '70 en de onderwijskwaliteit, meent Walter Dresscher.

Al jarenlang proberen scholen en de Algemene Onderwijsbond (AOb) het kabinet ervan te overtuigen dat zich een nationale ramp begint af te tekenen. De kwaliteit van het onderwijs staat zwaar onder druk. Maar steeds weer geeft de overheid niet thuis.

Toen de eerste scholen in de Randstad op de poort van het ministerie rammelden omdat er geen vervangers meer waren, werd dat afgedaan als `een regionaal probleem'. Toen de AOb in 1998 voor het eerst de omvang van de naderende tekorten becijferde, noemde minister Hermans (VVD) dat `overdreven'. Toen Het Onderwijsblad afgelopen jaar duidelijk maakte hoeveel leraren het onderwijs de rug toekeren, werd ik gebeld door het ministerie dat deze berichtgeving de imago-campagne `Je groeit in het onderwijs' doorkruiste.

In plaats van steeds met een vervelende boodschap te komen, zou de AOb liever de nadruk willen leggen op de lol van het beroep van leraar. Maar ministerie en kabinet verkeren nog steeds in een soort ontkenningsfase terwijl de oplossingen die worden voorgesteld om het lerarentekort tegen te gaan weer gevolgen hebben voor de kwaliteit van het onderwijs. Een paar jaar geleden werd bijvoorbeeld nog bepleit dat alle leraren, van basisschool tot gymnasium, een academische opleiding zouden moeten hebben. Van dat idee is de overheid inmiddels afgestapt. Inmiddels is `functiedifferentiatie' het parool. Volgens de nieuwe aanpak zouden veel taken van leraren overgedragen kunnen worden aan ander – lager opgeleid en lager betaald – personeel. Dat is voor een deel waar.

Natuurlijk zou het goed zijn als een leraar voldoende ondersteuning krijgt van assistenten en ondersteunend personeel, zodat de leraar zich kan concentreren op het lesgeven. In die vorm zijn onderwijs-assistenten meer dan welkom op de scholen. Maar in de nu begonnen projecten is het vaak de bedoeling om een deel van het lesgeven over te dragen aan assistenten, zodat met minder leraren méér kinderen door de stof gejaagd kunnen worden. Per saldo leidt dat tot een daling van het niveau.

Ondertussen zwelt de stroom berichten over een dalende kwaliteit aan. Een kleine greep. De Inspectie van het Onderwijs constateerde in 2001 in haar jaarlijkse Onderwijsverslag dat de kwaliteitswinst die de klassenverkleining in het basisonderwijs teweeg bracht, teniet wordt gedaan door het gebrek aan leraren. Een jaar later was de situatie verslechterd. Het SCP-rapport Ouders bij de les (2002) signaleerde een enorme lesuitval vanwege het ontbreken van docenten. Het lerarentekort zal de komende jaren toenemen, alle goedbedoelde maatregelen ten spijt. In het basisonderwijs schommelt het tekort in de komende kabinetsperiode tussen de 1500 en 2500 per jaar. In het voortgezet onderwijs loopt het tekort jaarlijks op van 3000 dit jaar tot 7000 in 2007. Een kwart van de vacatures kan dan niet worden vervuld.

De oorzaak van alle problemen is duidelijk: Nederland trekt relatief weinig geld uit voor onderwijs. In de meeste westerse landen wordt jaarlijks ongeveer 5,7 procent van het bruto nationaal product (bnp) aan onderwijs gespendeerd, een percentage dat inmiddels als een soort financiële fatsoensnorm is gaan gelden. In Nederland wordt 4,7 procent van het bnp aan onderwijs uitgegeven. Als de plannen van het demissionaire kabinet-Balkenende worden uitgevoerd, zal dat percentage de komende jaren dalen.

Door de onderinvestering in onderwijs slaagt het Nederlandse onderwijsbestel er niet in de jeugd op een vergelijkbaar niveau als de landen om ons heen af te leveren op de arbeidsmarkt. Voor de economie is dat desastreus. Investeren in onderwijs betekent een hogere economische groei, snellere technologische ontwikkeling en minder criminaliteit. Investeren in onderwijs heeft dus zin en Nederland zit ver onder de financiële fatsoensnorm zoals die in de meeste westerse landen geldt.

De permanente onderinvestering is een sluipmoord op de onderwijskwaliteit. Het is de vraag hoe lang we nog moeten wachten tot de ernst daarvan doordringt. Tot de eerste ouder een school aanklaagt omdat er te veel lessen zijn uitgevallen en zijn kinderen een achterstand oplopen? Op het moment dat blijkt dat de scores van de Cito-toets en de eindexamens achteruit vliegen?

In de Verenigde Staten was de lancering van de Spoetnik – de Russen waren de Amerikanen voor met het lanceren van de eerste kunstmaan – een schok en destijds aanleiding om fors in te zetten op beter onderwijs. In Nederland komt het functioneren van de overheid vaak pas ter discussie naar aanleiding van een ramp of door `klokkenluiders' die geheimen prijsgeven. Enschede, Volendam, Srebrenica of de bouwfraude.

In het onderwijs is zich ook een ramp aan het voltrekken, een ramp die echter niet plaatsvindt in één seconde. Een ramp die gelukkig ook geen fysieke slachtoffers kent, maar wel verstrekkende gevolgen heeft – voor jongeren en voor de economie. En dat rechtvaardigt een parlementair onderzoek naar het onderwijsbeleid en de onderwijskwaliteit.

Een enquête met als beginpunt de eerste bezuinigingsronde op onderwijs onder minister Van Veen in 1972, toen Nederland nog 7,5 procent van het bnp uitgaf aan onderwijs. Sindsdien zijn er veel meer mensen onderwijs gaan volgen en ook veel langer. Was doorstuderen destijds voor een enkeling weggelegd, nu stromen jongeren in veel grotere getale door naar mbo, hogeschool of universiteit.

De belofte van opeenvolgende ministers was bovendien voortdurend dat het onderwijs door vernieuwingen alleen maar beter zou worden. De middenschool, het studiehuis, het achterstandenbeleid, het samenvoegen van basis- en speciaal onderwijs en fusies waardoor grotere scholen ontstonden – allemaal vernieuwingen waardoor het allemaal beter zou worden. Beter voor minder geld, omdat we inmiddels nog maar 4,7 procent van het bnp uitgeven aan onderwijs voor véél meer kinderen. Wie dat kan uitleggen voor een enquêtecommissie, moet wel over een flinke dosis fantasie beschikken.

Wat de AOb betreft hoeft het parlementair onderzoek geen zoektocht naar `schuldigen' te worden, maar wel het proces beschrijven waarom opeenvolgende ministers – Van Kemenade, Deetman, Ritzen, Hermans, Van der Hoeven – dachten de onderwijsexpansie met een koopje te kunnen voltrekken. De vraag moet beantwoord worden hoe het niveau van het onderwijs zich sinds begin jaren '70 heeft ontwikkeld, hoe het niveau valt te verbeteren en tegen welke prijs betere prestaties mogelijk worden, zodat geen talent wordt verspild zoals nu en Nederland echt werk kan maken van de kenniseconomie.

Walter Dresscher is voorzitter van de Algemene Onderwijsbond.