Europese president komt er toch

Toen Duitsland en Frankrijk in 1991 de Europese Unie wilden oprichten, was Nederland, met name de VVD, tegen. De Unie ging gewoon door. Toen in 1999 de Muntunie zou worden ingevoerd, was de VVD tegen en ze geloofde ook niet dat het kon (Italië zou zich nooit kwalificeren). De Muntunie ging gewoon door. Toen de uitbreiding met tien landen aan de orde kwam, vond de VVD dit een veel te grote stap. De uitbreiding gaat gewoon door. Toen de Conventie voor een Europese grondwet begon, vond minister Van Aartsen (VVD) dat `theater' zijn aandacht niet waard. Een half jaar later en de Europese grondwet is bijna klaar. Het zijn maar enkele voorbeelden.

Nu Duitsers en Fransen een vaste president van de Europese Raad en daarmee van de Unie voorstellen, ziet oud-minister Van Aartsen daarin een `laatste opflakkering' van de Frans-Duitse as en voor ons `een kans voor open doel' om het plan van de tafel te vegen. (Opiniepagina, 17 januari). Je hoeft de lijst van VVD-missers over Europa niet te kennen, maar het helpt wel, om bijna zeker te weten dat ook dit Duits-Franse plan gewoon zal doorgaan en Europa zijn president krijgt.

Misschien is die Europese president op het eerste gezicht niet in het Nederlandse belang, maar dat is geen reden om te doen of het plan vrijwel kansloos is. Integendeel. Veel schadelijker voor ons nationale belang is de traditie van desinformatie over Europese ontwikkelingen, afkomstig van politici die hun wensen voor feiten en hun onwil voor onmogelijkheid houden. De VVD is het ergst, maar de hele Nederlandse politiek bezondigt zich eraan. In geen van de partijprogramma's wordt de figuur van president van de Europese Raad zelfs maar genoemd, laat staan serieus genomen, terwijl de gedachte al drie jaar geleden door de Duitse minister Fischer werd gelanceerd en sindsdien alleen maar aan steun heeft gewonnen. Nee, bij ons verschillen de politieke meningen over de voorzitter van de Europese Commissie, het kluitje om de tegenstanders in het riet te sturen.

Gegeven dat zo'n president er naar alle waarschijnlijkheid komt, hoe kan Nederland daarmee leven? Dat is de vraag. De vraag valt in tweeën uiteen. Ten eerste: welke is de nieuwe situatie die zich aandient en die door die Europese president wordt gesymboliseerd? Ten tweede: hoe kunnen wij in die situatie onze belangen het best verdedigen?

Ten eerste: de Europese president staat symbool voor een (geleidelijke) omslag in de aard van Europa, van markt naar machtsfactor. Of die omslag lukt is nog niet zeker en de functie van president is daarmee niet van belang verzekerd. Het gewicht van de functie wordt in de naaste toekomst door de feiten bepaald. Het zal vooral afhangen van twee gecombineerde eventualiteiten: de kwaliteit van de persoon van de functionaris en het formaat van de problemen waarin hij zich kan bewijzen. Kan Nederland op één van deze factoren afdingen? Redelijkerwijs niet, want de politieke emancipatie van Europa staat al jaren op onze verlanglijst. Feitelijk ook niet, want dat kunnen zelfs grote landen maar heel beperkt. Welke problemen Europa in de naaste toekomst te slikken krijgt, hangt hoofdzakelijk af van de VS.

Rest de vraag: hoe kunnen we onze belangen het best verdedigen? Door weer de gijzelaar te worden van een verloren zaak? Beter is het de zeilen naar de wind zetten en het spel mee te spelen zoals het zich aandient. Dan hoeven onze politici zichzelf en het publiek niet voor de gek te blijven houden.

Mr. W.T. Eijsbouts is hoogleraar Europees constitutioneel recht aan de Universiteit van Amsterdam.