De ongenaakbare Fernhout

Bij het binnenkomen van de tentoonstelling van Edgar Fernhout in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem valt het oog direct op drie sobere, maar indringende stillevens. Ze hangen aan verschillende wanden, maar lijken door een onzichtbare draad met elkaar verbonden. Eén ervan laat een verfrommeld laken zien tegen een zilvergrijze achtergrond. Het is een bizar thema, dat door zijn neutrale weergave boven elke huiselijkheid uitstijgt. Een tweede stilleven, een doorkijkje in twee kale kamers, levert een bijna abstract beeld op. Maar vooral het stilleven rechtsachter, dat met zijn brede zwarte lijst geïsoleerd is van de zachtroze achtergrond, maakt een sterke indruk. Net als het laken is het bijna monochroom. Het toont weinig meer dan een paar randen van een muur, een opzijgeschoven grijzig-zwart gordijn en een openstaand raam. Daarachter is alleen een eindeloze, vaagblauwe lucht te zien. Het standpunt van de toeschouwer (en van de schilder) is zo laag – of het raam bevindt zich zo hoog – dat er geen ander uitzicht mogelijk is. Deze strenge, consequente schilderijen dateren uit het begin van de jaren dertig, toen Edgar Fernhout (1912-1974) zich net een beetje aan het bevrijden was van de knellende vleugels van zijn moeder Charley Toorop, die zijn hele carrière voor hem probeerde te regelen en ook zijn stijl sterk beïnvloedde. In 1932 had de jonge schilder zijn eerste solotentoonstelling en woonde hij samen met zijn vriendin, de mooie tekenares Rachel Pellekaan.

De genoemde stillevens en andere kleine, realistische schilderijen uit deze periode passen wonderwel bij de zwarte, met gestileerde krullen gedecoreerde meubels van Sybold van Ravesteyn die ook in het museum getoond worden. Van Ravesteyn was een van Fernhouts beschermheren en een geestverwant van zijn moeder. Een deel van de geëxposeerde meubelen komt uit haar Bergense huis.

De tentoonstelling in Arnhem concentreert zich op Fernhouts neo-realistische periode, die tot net na de Tweede Wereldoorlog duurde. De strakke, vaak strenge portretten en zelfportretten doen denken aan het werk van tijdgenoten als Dick Ket, Carel Willink, Pyke Koch en nu en dan ook de zachtere Jan Mankes.

Het meest verrassend zijn de portretten die geïnspireerd zijn op de meesters van de Italiaanse Renaissance, zoals het bijna fletse zelfportret uit 1937. Het enige verschil is dat de oude heren meestal een ietwat geloken blik hebben, terwijl Fernhout hier de toeschouwer indringend aankijkt, alsof hij er zeker van is dat hij het zal winnen als het op een wedstrijdje aanstaren aankomt.

Fernhout bekeerde zich tegen het eind van de jaren vijftig tot het modernisme en ging `abstract' schilderen. Zelf heeft hij geprobeerd zijn neo-realistische werk zoveel mogelijk te verdoezelen, omdat hij klaarblijkelijk niet met een dergelijke weinig vooruitstrevende stroming geassocieerd wilde worden. Of was hij onzeker over de kwaliteit van zijn werk?

Op de tentoonstelling hangt verrassend veel dat de moeite waard is, maar er blijkt ook uit dat hij niet een heel consistent kunstenaar was. Sommige werken, waarin hij de ongenaakbare stijl van Pyke Koch probeerde te naderen, zijn wel wat al te hard en koel uitgevallen – fotografisch zonder enig doel.

Daartegenover staan dan weer stillevens met atelierspullen waarin iets van de kracht van zijn moeder te vinden is, maar waarbij je ook het gevoel bekruipt dat hij perioden van zware malaise moet hebben gekend. Iets dergelijks blijkt ook uit de mooie biografie die Mieke Rijnders over Fernhout schreef en waarin Fernhouts moeder onvermijdelijk een grote rol in speelt.

Tentoonstellingen: Edgar Fernhout, neo-realist. T/m 9 maart in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem, Utrechtseweg 87, Arnhem. Di t/m vr 10-17u, za en zo 11-17u. Catalogus €27,50. Inl: 026-3512431 of www.mmkarnhem.nl

    • Saskia de Bodt