Belgrado: proces oorlogsmisdadigers

In Belgrado is gisteren het proces begonnen tegen vier voormalige leden van de Ostvetnici (Wrekers)-militie die worden beschuldigd van de ontvoering van en moord op zeventien Servische moslims in 1992.

Twee van de vier worden bij verstek berecht – een van hen, Milan Lukic, wordt ook door het Joegoslavië-tribunaal gezocht. Van de vier beklaagden zijn er drie Bosnische Serviërs (een van hen is afkomstig uit Srebrenica) en komt de vierde uit Servië zelf.

De vier leden van de Bosnisch-Servische militie hielden op 22 oktober 1992 op Servisch grondgtebied, in het dorp Mioce, een bus aan die op weg was van Sjeverin naar Priboj, op de grens met Bosnië. Ze dwongen de zeventien moslims, zestien mannen en een vrouw, allen burgers uit het Servische dorp Sjeverin, uit te stappen. De moslims werden in een vrachtauto geladen en naar een motel in Višegrad in het oosten van Bosnië gereden, waar ze uitvoerig werden gemarteld. Later op diezelfde dag werden ze op de oevcer van de Drina bij Višegrad doodgeschoten of doodgestoken, in aanwezigheid overigens van een groot aantal inwoners van Višegrad. De lijken werden in de rivier gegooid.

Een van de vier beklaagden heeft bekend aan het bloedbad te hebben deelgenomen. Hij was door de Servische Radicale Partij van Vojislav Šešelj naar Bosnië gestuurd om lid te worden van de militie – Šešeljs partij had zowel in Kroatië als in Bosnië eigen milities, waarin ook de partijchef nog even heeft meegevochten. Het bloedbad was volgens deze beklaagde vooral het werk van Milan Lukic.

De andere beklaagde die gisteren voor de rechter in Belgrado verscheen ontkende aan het bloedbad te hebben deelgenomen; hij zei zich ,,met zwijgen'' te zullen verdedigen.

Zolang president Slobodan Miloševic aan de macht was weigerden de Servische autroiteiten actie in de zaak te ondernemen, hoewel er genoeg getuigen van het bloedbad waren. De paramilitaire eenheden die in de Bosnische oorlog actief waren opereerden aanvankelijk onder het bevel van het Joegoslavische leger en maakten later deel uit van het leger van de Servische Republiek in Bosnië; dat gold ook voor de Ostvetnici-militie. Hoofdverdachte Lukic is ook betrokken geweest bij een soortgelijke ontvoering van moslims, die een jaar later werd gepleegd nabij de stad Strpci. Daar werden twintig passagiers uit de trein van Bar in Montenegro naar Belgrado gehaald. Ze zijn sindsdien spoorloos.

Lukic houdt zich waarschijnlijk schuil in het oosten van Bosnië. Hij werd in 1992 en in 1994 in Joegoslavië gearresteerd, de tweede keer wegens betrokkenheid bij de ontvoering te Strpci, maar in beide gevallen werd hij al snel vrijgelaten.