Jeugdherberg

Zojuist is het woord jeugdherberg in de ban gedaan. De Nederlandse Jeugdherberg Centrale vindt het te kneuterig en heeft het vervangen door Stayokay. De jeugdherberg had iets van grote slaapzalen, gedeeld sanitair en corvee, aldus de directeur van de jeugdherbergcentrale, terwijl de Stayokay een coole bedoening is, die internationale backpackers online willen booken, sorry boeken.

Persoonlijk heb ik niks tegen jeugdherberg, al heb ik er, toen ik zelf nog een backpacker was, niet vaak geslapen. Stayokay komt op mij nogal gewrongen over, vooral in combinatie met de kneuterige namen van sommige jeugdherbergen. ,,Waar stayen jullie? In de Stayokay Oer 't Hout? Of in Stayokay De Zevensprong in Petten?''

Taalhistorisch gezien is het nogal ironisch dat jeugdherberg nu te tuttig wordt bevonden, want aanvankelijk vond men het juist te wild. De eerste Nederlandse jeugdherberg werd in 1929 geopend. Woord en zaak waren geleend uit het Duits, waar in twee decennia ruim tweeduizend Jugendherbergen uit de grond waren gestampt.

,,Velen onzer leden'', schreef het tijdschrift Onze Taal in 1934, ,,hebben bezwaar tegen [het woord jeugdherberg] dat wij te kwader ure van onze Oostelijke naburen hebben overgenomen. Er hangt over dit woord een zekere geur van borrels en tabak en het zou te wenschen zijn, dat wij er in zouden slagen het te vervangen door een kinderlijker woord. Wie van onze leden doet ons een woord aan de hand, dat het begrip beter uitdrukt? Kampeerhuis misschien, of trekkershuis?'' Al drie jaar eerder, in 1931, had de Christelijke encyclopaedie voor het Nederlandsche volk uitvoerig over het fenomeen jeugdherberg geschreven, en daarbij waren ook de gevoeligheden rond dit woord ter sprake gekomen. ,,Men neemt aan'', concludeerde deze encyclopedie, ,,dat aan den naam niemand aanstoot zal nemen. Herberg is niet bedoeld in den zin van `kroeg' (rooken en alcohol zijn streng verboden en geweerd).''

De bezwaren bleven natuurlijk niet tot het woord beperkt. De opkomst van de jeugdherbergen in Nederland was eind jaren twintig, begin jaren dertig een hot item. In kranten en tijdschriften werd er heftig over gedebatteerd, er verschenen pamfletten pro en contra de jeugdherbergen en vrijwel alle algemene en pedagogische naslagwerken uit die periode schonken er uitvoerig aandacht aan. Voorstanders schreven onder meer: ,,Een jeugdherberg is een veilig onderdak voor alle jongeren (ongeacht richting, geloof en geslacht); het is een uitkomst voor de scholen, een steun voor de opvoeding, een bron van schoonheid, een leermeesteres in de hygiëne, een bolwerk tegen ziekte en degeneratie, een centrum voor de jeugdbeweging, een gids tot de natuur.''

Vooral priesters en dominees zagen allerlei bezwaren, zowel pedagogische als morele. Men wees op het gevaar dat de herbergouders weleens socialisten konden zijn, met alle risico's van dien. En dan waren er nog ,,de zwoele atmosfeer in de gemeenschappelijke slaapzalen'', ,,het vrij spel der ongeorganiseerde en ongecontroleerde jeugd'', ,,het gevaar van geestelijke achteruitgang door het verwaarlozen van bijbellezen en gebed'', ,,het onmoeten van zoveelen die van volstrekt andere geestesrichting zijn'' plus ,,het gevaar dat beide geslachten met elkaar op reis gaan''!

Maar ook toen liet de jeugd zich niet makkelijk beteugelen. Al in 1934 telde Nederland 67 jeugdherbergen – twee keer zoveel als nu. Omstreeks 1950 waren de jeugdherbergen zo populair – met name voor `weekeinde-bezoek', aldus de Winkler Prins – dat er allerlei `wilde jeugdherbergen' ontstonden, zoals ze toen werden genoemd. Particulieren en boeren spijkerden een bord `jeugdherberg' op stal of schuur, waar je dan voor een paar dubbeltjes kon slapen. De Katholieke encyclopaedie voor opvoeding en onderwijs uit 1952 vond dit zo'n gevaarlijke ontwikkeling dat ze ervoor pleitte het woord jeugdherberg ,,ter morele bescherming van de jeugd door een wet tegen alle misbruiken te laten beschermen''.

Hadden ze dat toen maar gedaan, dan zaten we nu niet met dat onbenullige Stayokay.

(sanders@nrc.nl)

    • Ewoud Sanders