Altijd de duivel achterna

Een enkele abonnee van deze krant vond de foto op de voorpagina waarin Gerard van Velde zijn ontblote, gespierde borstpartij aan het volk toonde ongehoord. Van het portretteren van een ongeklede man nog wel van een sportman dient men zich in NRC Handelsblad te onthouden, was het argument. Foei! Waren er dan geen foto's van een schaatsende Gerard van Velde? Jawel, mevrouw. Die waren er zeker, maar die waren zo alledaags, zo saai, zo saai als foto's van schaatsers doorgaans zijn.

Dit was het meest treffende beeld van een sportman die zojuist als een krachtpatser over het ijs van de Olympic Oval in Salt Lake City was gesneld en tot verrassing van iedereen en vooral zichzelf olympisch goud had gewonnen. Het beeld van een man die zich inderhaast kon bevrijden van het knellende aerodynamische schaatspak en en passant zijn spierballen kon laten zien. Geen mooier beeld van een olympisch kampioen dan van een man met haar dat over zijn gespierde schouders valt, nietwaar?

Reusachtige schaatssprinters spreken nu eenmaal tot de verbeelding. Zoals in de vorige eeuw de Rus Zjelezovski. Een man die te groot en te zwaar zou zijn om zich op volle snelheid in de bochten staande te houden, maar de wereld telkens bleef verbazen over zijn schaatskracht. Wat zou een foto van de ontblote massieve kont van Zjelezovski niet een verrassend sensationeel beeld op de voorpagina hebben opgeleverd. `Igor de beer' uit Rusland naast `Tarzan Gerard' uit Hattem.

Deze schaatskolossen zijn niet zo schitterend als kleine sprinters zoals Shimizu. Maar ze zijn wel fascinerender. De grote, rake klappen waarmee sprinters als Van Velde zich over het ijs spoeden doen je beven bij elke bocht die ze naderen. Halen ze het wel? Halen ze het niet? En wanneer ze de bocht zijn doorgekomen, haal je opgelucht adem en weet je dat ze op weg zijn naar weer een snelheidsrecord, naar weer een titel of op z'n minst een medaille.

Van Velde schaatst niet met de duivel op z'n hielen. Hij zit de duivel achterna. Alsof hij in zijn Ferrari zit, of op zijn Ducati, de gashendel geopend, de uitlaat brullend, op jacht naar iets of naar iemand die hij voorgoed wil verslaan. Het gaat hem nooit snel genoeg, hoe vaak hij ook een snelheidsrecord breekt, telkens is de duivel hem te snel af. De vraag is niet wanneer Gerard van Velde stopt met jagen, de vraag is hoe veel sneller hij als 31-jarige nog kan schaatsen.

Aan alles zie je dat Van Velde zin heeft in de schaatsjacht. Hij straalt plezier uit, hij schaatst met een grijns, een satanische grijns bijna. Het is wel eens anders geweest. Zoals vier jaar geleden. De teleurstelling van het net-niet-winnen ging zo diep, dat hij besloot met schaatsen te stoppen. Ruim een jaar later liet hij zich toch weer overtuigen van zijn sprinttalent. En pas toen gooide hij alle schroom van zich af. Als een alles-of-niets-poging. Waar haalde Van Velde die schaatskracht vandaan? Waar haalde hij vooral de mentale kracht vandaan? Hij wist het zelf niet. Hij wilde het niet eens weten, als hij maar kon schaatsen, op weg naar het volgende snelheidsrecord.

En toen was er ineens die explosie op de Olympic Oval in Salt Lake City, op de duizend meter. Het was 16 februari 2002. De Amerikanen werden er gek van. Wie was die wonderboy uit Holland die als een bodybuilder zijn torso liet zien en zijn vriendin op de tribune liet meedelen met zijn triomf? Hij, die golden boy, was de zoon van een slager en een pedicure. Een gewone jonge man dus, niet meer en niet minder. Een spontane reusachtige jonge man die met gepaste trots zichzelf en zijn torso aan de wereld durft te tonen.

Eerdere portretten zijn gebundeld in het onlangs verschenen `Sportportretten op maandag'. Uitgeverij Houtekiet. ISBN 90 5240 682 0. €15,95.

    • Guus van Holland