Zwarte verhalen

In de aanloop naar de verkiezingen kwam elke politicus wel met een plan om de toename van zwarte scholen te bestrijden. Maar ieder idee stuit op bezwaren. `Politici zijn veel te idealistisch'. Een gesprek tussen zeven deskundigen.

Segregatie is allang niet meer het probleem van alleen de vier grote steden, zegt Zeki Arslan, onderwijsspecialist van multicultureel instituut Forum. ``In bijna alle gemeenten in Nederland is een tweedeling in het onderwijs aan het ontstaan. Die heeft zich bovendien uitgebreid van basisscholen naar het voortgezet onderwijs en dreigt nu ook over te slaan naar het middelbaar beroepsonderwijs.''

Scholen in achterstandswijken verliezen hun autochtone én goed presterende allochtone leerlingen aan scholen in betere wijken. De prestaties van de leerlingen op zwarte scholen dalen, zo meldt de inspectie. En het wordt steeds moeilijker er leraren voor te vinden. Maar er komen ook steeds meer zwarte scholen. Volgens een onderzoek van het dagblad Trouw is het aantal zwarte basisscholen in slechts drie jaar tijd gestegen van 500 tot 580. Bijna eenvijfde van de zwarte scholen scholen die voor meer dan de helft uit allochtone leerlingen met laagopgeleide ouders bestaan wordt met sluiten bedreigd, omdat er te weinig leerlingen zijn. Datzelfde patroon bestaat in het voortgezet onderwijs.

En sluiting van scholen leidt weer tot verdere verloedering in de wijk. In augustus sluit bijvoorbeeld het Niels Stensen College, de enig overgebleven middelbare school in de achterstandswijk Kanaleneiland in Utrecht. Roger van Boxtel, tot vorig jaar minister van Grote Steden- en Integratiebeleid (D66): ``Ik kon het niet geloven! Een cruciale voorziening in een gebied dat zo onder druk staat, dat troosteloze winkelcentrum, een en al doffe ellende! En het enige levendige element in de wijk gaat ook nog kapot!''

Wat te doen? Plannen genoeg. Het afgelopen jaar is het ene na het andere idee gelanceerd om de segregatie in het onderwijs tegen te gaan. Van Boxtel pleitte in april voor het afschaffen van Artikel 23 van de Grondwet, dat de vrijheid van onderwijs regelt. Het bijzonder onderwijs zou het artikel gebruiken om allochtone leerlingen te weigeren en daarmee segregatie in de hand werken.

Ook andere politici deden een duit in het zakje. De Amsterdamse wethouder van onderwijs Oudkerk (PvdA) vindt dat het bijzonder onderwijs zijn selectieprocedure transparant moet maken en pleitte voor verplichte spreiding van allochtone leerlingen. Lijsttrekker Wouter Bos van diezelfde partij ziet meer in een `acceptatieplicht' voor scholen, als afspraken niet helpen. De Rotterdamse wethouder voor onderwijs J. van der Tak (CDA) wil kinderen desnoods met busjes over de stad verspreiden. GroenLinks-leider Halsema gaat nóg een stap verder. Ouders, zei zij onlangs, zouden verplicht moeten worden om hun kind in de eigen wijk naar school te sturen. Alleen als zij een goede reden hebben, mogen zij nog naar een school in een andere wijk.

Maar wat is reëel? Is de vorming van nieuwe zwarte scholen nog wel te stuiten? En hoe bedreigend is de segregatie eigenlijk voor het niveau van het onderwijs?

Onderschat

In een zaaltje in hotel Karel V in Utrecht zitten een ex-minister, een Kamerlid, twee wethouders onderwijs, een wetenschapper, een rector en een medewerker van de multiculturele organisatie Forum bijeen. Over één ding zijn de aanwezigen het eens: het probleem van de segregatie in het onderwijs is te lang onderschat.

Volgens Arslan zijn er harde maatregelen nodig om de segregatie tegen te gaan. Hij pleit al jarenlang voor spreiding van leerlingen, om de witte vlucht tegen te gaan: ``Er wordt veel herrie door politici gemaakt, maar de realiteit is dat er de afgelopen jaren nauwelijks maatregelen zijn genomen. Ondertussen blijven de leerlingen vluchten van de zwarte scholen.''

Van Boxtel: ``Er is nu inderdaad een collectieve verplaatsing van leerlingen aan de gang. Een vmbo-school in Amsterdam-West werd zo slecht en gevaarlijk dat ook veel allochtone leerlingen door hun ouders naar een school in Amstelveen werden gestuurd. Vervolgens reageren de autochtone ouders van die school door hun kinderen naar Hoofddorp te sturen. Het is de waanzin ten top aan het worden.''

René Verhulst, onderwijswethouder in Utrecht (CDA): ``Zwarte scholen worden alleen maar zwarter en witte alleen maar witter. Ook GroenLinks-stemmers sturen hun kind niet naar het Niels Stensen College. Zelfs als we afspreken met scholen om een bepaald percentage allochtonen op te nemen, ontduiken ze die nu met allerlei foefjes, zoals vroege inschrijving en verhoging van de vrijwillige ouderbijdrage.''

Jan Kweekel, rector van het Christelijk College Henegouwen te Rotterdam: ``Onze school gaat niet omvallen, maar de locatie aan het Henegouwerplein, in het centrum van Rotterdam, staat zwaar onder druk. De school is heel goed, maar na de witte kampen we nu ook met een zwárte vlucht. De betere allochtoon kiest ook al voor de buitenwijken.''

Voor Roger van Boxtel blijft artikel 23 van de Grondwet een groot struikelblok voor de integratie in het onderwijs. ``Sommige scholen hanteren het artikel als selectiecriterium voor het aannemen van allochtone leerlingen. Het doel van het grondwetsartikel was ouders de vrijheid te geven om de school te kiezen die zij willen. Nu is het vooral een vrijheid van bestuurders geworden. In onze maatschappij past het niet dat kinderen geweerd worden van school.''

Paul Zoontjens, hoogleraar onderwijsrecht aan de Universiteit van Nijmegen denkt daar anders over: ``Artikel 23 is het werkelijke probleem niet. Recent onderzoek van de Onderwijsraad toont aan dat het weigeren van kinderen op basis van godsdienst maar marginaal voorkomt.''

Pierre Heijnen, wethouder van onderwijs in Den Haag (PvdA) valt Zoontjens bij: ``Als artikel 23 niet zou bestaan, had ik in Den Haag dezelfde mate van segregatie. Ook openbare scholen zijn soms geheel wit of zwart. Toch is het artikel niet meer toegesneden op de praktijk van vandaag. Vroeger maakten mensen een bewuste keuze voor de denominatie van de school, nu kijken ouders naar kwaliteit of naar het aantal allochtone kinderen.''

Arslan: ``We kunnen, zoals Van Boxtel zegt, niet om de discussie over het bestaansrecht van artikel 23 heen, maar dat is meer iets voor de lange termijn. Tot die tijd mogen wij er niet in berusten dat ouders hun kind niet meer naar een zwarte school sturen.''

Clemens Cornielje, lid van de Tweede Kamer (VVD): ``Ik ben tegen iedere vorm van overheidsbemoeienis die de keuzevrijheid van ouders in gevaar brengt. Je zou het openbaar onderwijs juist moeten verbijzonderen, door de positie van de ouders te versterken. We hebben nu voor het openbaar onderwijs een bestuursvorm waarbij ouders in het bestuur komen, zodat de voordelen van het bijzonder onderwijs nu ook aan het openbaar onderwijs worden gegeven.''

Arslan: ``Jullie hebben het steeds maar over kwaliteit, over ouderparticipatie. Maar in Nederland zijn 450.000 mensen die niet zijn ingeburgerd. Zij hebben kinderen en die moeten naar school. Politici vergeten dat tienduizenden allochtone kinderen nauwelijks autochtonen zien. Maar je kunt analfabete ouders niet verantwoordelijk maken voor de taalachterstand van hun kinderen.''

Cornielje: ``Wij hebben in de Tweede Kamer jarenlang geprobeerd het taalonderwijs tot topprioriteit te verheffen. Scholen krijgen voor zogeheten 1.9-leerlingen [de meestal allochtone achterstandskinderen, red.] bijna twee keer zoveel geld. Dan moet je beginnen met ze Nederlands te leren. Maar er waren altijd argumenten van allerlei mensen dat wij dat als landelijke politiek niet mochten doen. Het is de VVD pas in 2001 gelukt om daar een meerderheid voor te krijgen.''

Van Boxtel: ``Het is inderdaad allemaal laat op gang gekomen. Ik was op een volledig Turkse school in Almelo. Daar trof ik een Turkse vader van 35 jaar, die daar zelf ook op school had gezeten. Nu is die wijk voor 85 procent Turks. Toen die vader op school zat, vertelde hij, was de populatie gemengd en de voertaal Nederlands. Nu zit zijn dochter op die school. De leerkrachten zijn Nederlands, maar de kinderen spreken in de klas, op het schoolplein, overal alleen maar Turks. Thuis zegt hij tegen zijn kinderen dat ze Nederlands moeten spreken, maar het gebeurt niet.''

Cornielje: ``De ervaringen zijn verschillend. PvdA-wethouder Van der Aa heeftin Amsterdam de Cito-toets ook voor de Nederlandse taal verplicht gesteld. Op álle scholen zijn vervolgens de prestaties omhooggegaan. Als je dat vergelijkt met de andere grote steden, zie je een significant verschil.''

Gebrek aan regie

Kweekel: ``Ik verwijt de gemeenten toch een gebrek aan regie en durf. Je kunt nog zoveel geld in het basisonderwijs pompen, in het voortgezet onderwijs lopen die kinderen de achterstand niet meer in. Nu vlucht ook de betere allochtoon en dan blijft er weinig over. Voor de korte termijn moet je investeren in voorschoolse opvang, in het basisonderwijs. Wij merken nu dat de tweede en derde generatie Turken slechter Nederlands spreekt dan hun ouders. We moeten die ouders verantwoordelijk maken voor de ontwikkeling van hun kinderen. Daar zijn we veel te voorzichtig in. Bijvoorbeeld door op een consultatiebureau niet alleen te kijken naar de lichamelijke ontwikkeling van een kind, maar ook naar de taalontwikkeling. Op de lange termijn moet je ook de samenstelling van de wijken veranderen, want er is een enorme verpaupering.''

Heijnen: ``Grote oplossingen, zoals spreiden of busjes, zijn nooit haalbaar, al is het alleen maar vanwege de enorme consequenties die dat heeft voor de burgers. Ik wil best met mijn collega's uit de grote steden afspraken maken, maar zodra je die in algemeen beleid gaat vatten, frustreer je de pogingen van de schoolbesturen om hun populatie gevarieerd te houden. Er is maatwerk nodig. Er is in Den Haag een school die daar fantastisch in slaagt. Toen ik ze vroeg dat in beleid te formuleren, zeiden ze: dan is onze succesformule weg. Hoe ze het doen? Ik ga dat hier niet aan de grote klok hangen. Laat ik het als volgt formuleren: ze hanteren een subtiele manier om te bewerkstelligen dat de instroom op hun school wat in evenwicht is.''

Kweekel: ``Ik sta op het punt om toch te kijken wat we kunnen doen om de samenstelling van onze scholen niet dat omslagpunt te laten bereiken. De school waar ik locatiedirecteur ben geweest, stond jarenlang wijd open voor iedereen. Op een gegeven moment was het 40 procent allochtonen, 50 procent, 52 procent en toen was het binnen twee jaar een volledig zwarte school. Wij zijn ervan overtuigd dat het beter is voor de hele school, allochtoon en autochtoon, als je ergens een grens trekt, maar hoe doe je dat als je in een wijk staat met 63 procent allochtonen? Raar is wel dat bij ons in de buurt ook volledig witte scholen staan, zoals een montessorischool en een gymnasium. Van heinde en verre komen de leerlingen daarvoor naar het centrum van de stad.'' Heijnen kent ook omgekeerde verhalen: ``Er zijn kinderen zijn die het wel geprobeerd hebben op een overwegend witte school, maar daar een klimaat aantroffen op grond waarvan ze uiteindelijk kiezen voor een zwarte school.''

Kweekel: ``Ja. Drie meisjes met hoofddoekjes gingen naar een witte school verderop en schrokken zich helemaal te pletter. Bij ons waren ze een van de velen en daar waren ze met zijn drieën. Ze waren snel weer terug.''

Zoontjens vat de toestand samen: ``Politici praten nu heel makkelijk over maatregelen, maar er zitten vrijwel altijd juridische voetangels en klemmen aan. Zelfs het spreiden van bewoners over verschillende wijken is eigenlijk al niet mogelijk. Het discriminatieverbod en het recht op vrije schoolkeuze laten dat niet toe, blijkt uit jurisprudentie. Er zijn in de praktijk wat mogelijkheden gegroeid. Je kunt een postcodebeleid voeren: het openbaar onderwijs kan op grond van de postcode kinderen weigeren en alleen kinderen uit de buurt aannemen. Maar volgens de wet kunnen afgewezen ouders dan wel naar de rechter stappen om hun recht te halen. Het bijzonder onderwijs kan een schoolkeuze wel dwingend opleggen en heeft dus meer bevoegdheden. Maar je stuit al gauw op internationale verplichtingen. De overheid mag de schoolkeuze van de ouders niet belemmeren.''

Van Boxtel verzucht: ``Voor mij staat vast dat we, even los van alle partijpolitiek, die hele materie dertig jaar op zijn beloop hebben gelaten in álle segmenten, én in de woningbouw, én in het onderwijs, én in de sociale voorzieningen.''

Heijnen, relativerend: ``Mijn familie heeft er ook vier generaties over gedaan om op te klimmen. Je kunt niet volhouden dat in de grote steden de helft van de kinderen problematisch is. Dan misken je dat zich een middenklasse ontwikkelt onder Turken, Surinamers, Marokkanen. Die tweede en derde generatie wijkt in niets af van wat we vroeger hier de arbeidersklasse noemden.''

Van Boxtel: ``Die vergelijking met vroeger gaat echt mank. De combinatie van taalachterstand en een totaal andere culturele oriëntatie maakt het zoveel complexer dat je niet meer met dat oude sociaal-democratische gevecht kunt aankomen! Ik kan het nu met enige afstand zeggen: de winst van de afgelopen periode is dat er door Pim Fortuyn - beslist niet mijn vriend! - iets op gang is gebracht waar ik niet ongelukkig mee ben. Eindelijk zit die hele materie nu breed tussen de oren! We weten toch allemaal dat de woningen uit de jaren vijftig en zestig dertig jaar lang gebruikt zijn als het putje waarin deze mensen gedumpt konden worden. Lage huren, geen onderhoud, op den duur gingen ze toch plat. Dat hebben we jaren laten lopen. En in die wijken merken we nu hoe erg het geworden is in het onderwijs. Er zijn twee oplossingen: op de korte termijn convenanten tussen lokale bestuurders en schoolbesturen om de segregatie tegen te gaan. Op langere termijn moet je toe naar evenwichtiger samengestelde wijken.''

Stadsvernieuwing

Heijnen: ``Ik proef hier nu een sfeer van: we hebben het licht gezien. Daar doe ik niet aan mee! Eén. Gemeentebesturen hebben de afgelopen jaren intensiever aan stadsvernieuwing en onderwijs gewerkt dan ooit! Twee. Ik weiger de helft van de bevolking van de grote steden synoniem te maken met problemen. Drie. We moeten die middenklasse in de rug gaan blazen.''

Arslan: ``Het zal nog járen duren voor de etnische middenklasse de motor van de emancipatie wordt. Waar ik mij zorgen over maak is dat we honderdduizend kinderen voortdurend het signaal geven dat ze geen onderdeel uitmaken van onze samenleving. Dat creëert voor de toekomst een heel gevaarlijke situatie. De druk van de politiek om te integreren is heel groot, ook van de VVD. Dan vraag ik ook van de VVD ruggengraat om de segregatie serieus aan te pakken. Laat alle gemeenten, in overleg met schoolbesturen en ouders, komen met een plan.''

Kweekel is niet optimistisch: ``Daar komt niets van terecht. Er zijn scholen die mee zullen werken en scholen die niet mee zullen werken. Als je gaat spreiden, dan betekent dat automatisch dat de scholen in de binnenstad het loodje leggen. Ga je dan witte kinderen van buiten naar de binnenstad halen? En de scholen die 100 procent zwart zijn, lopen dan leeg.''

Cornielje: ``Spreiden is niet de oplossing. Ik ken een school in Den Haag waar twintig jaar geleden veertig nationaliteiten zaten. Nu is het een vrijwel volledig Turkse school geworden, in een Turkse wijk. Die kinderen spreken dus de hele dag bijna overal Turks. Op school wordt het dan steeds moeilijker om de leerlingen Nederlands te laten spreken.''

Arslan: ``We hebben in Nederland op dit moment al meer dan tachtig mono-etnische scholen.''

Heijnen: ``Dat soort scholen vind ik echt een probleem. We zouden een limiet moeten stellen aan het percentage kinderen met één culturele achtergrond. Waarom kunnen we een school die meer dan 50 procent kinderen van één taalachtergrond heeft niet opheffen? Ik wil wat doen aan de scholen waar vrijwel alleen Turkse of Marokkaanse kinderen op zitten. Op die scholen zijn de onderwijsachterstanden het grootst en ook de ouders zitten daar helemaal niet op te wachten.''

Kweekel barst los: ``Politici zijn veel te idealistisch. Ze leggen de verantwoordelijkheid steeds bij ons en ik word daar zo moe van. Je wilt het niet weten of we doen het al: studiereis naar Marokko, excursies in de wijk, contactpersonen in de diverse gemeenschappen. De gemeente moet veel strenger zijn om het shopgedrag van leerlingen en ouders tegen te gaan. 40 procent van de leerlingen in het Rotterdamse basisonderwijs is één of twee keer van school gewisseld, in het voortgezet onderwijs zelfs 45 procent. Zodra allochtone kinderen problemen hebben op school, gaan ze naar een andere en dan begint de ellende weer opnieuw. Als ouders niet op school verschijnen of geen belangstelling hebben voor hun kind, dan moet de gemeente hen wijzen op hun verantwoordelijkheid. Maar de onderwijsinspectie geeft scholen te weinig ruimte. Die tikken mij op de vingers omdat ik scholieren die leraren bedreigen zonder pardon van school af stuur. Laat de gemeente speciale klassen opzetten voor criminele jongeren.''

Zoontjens: ``De oplossing wordt steeds bij de school gezocht. Die moet van de politiek bijna een administratiekantoor en handhavingsmachine worden. Op een school wordt gewoon lesgegeven, daar kunnen niet alle maatschappelijke problemen worden opgelost. Voormalig minister van Onderwijs Jos van Kemenade, een PvdA'er, dacht in de jaren zeventig dat via het onderwijs de wereld veranderd zou worden. Maar dat is heel betrekkelijk. Het is eerder de wereld met al haar problemen die bij het onderwijs naar binnen is geslopen.''