Stroomstoring

De particuliere klant kan de jaarlijkse afrekening van het energiebedrijf tegenwoordig moeilijk doorgronden. De rekening maakt onderscheid tussen geleverde gas en elektra, en het gebruik van het netwerk. Dat is van meer dan administratief belang. Er gaat een politieke discussie achter schuil over de ordening en toekomst van de energievoorziening in Nederland. De splitsing in de energienota valt enigszins te vergelijken met een situatie waarbij er twee kassa's zouden zijn bij een benzinestation: één voor het kwartje van Kok ten behoeve van het wegenonderhoud en één voor de oliemaatschappij die de brandstof levert.

De energiemarkt liberaliseert. Dit gebeurt op last van de Europese Unie in het kader van de interne markt. Het gebeurt ook omdat de overtuiging in de jaren negentig heeft postgevat dat particuliere ondernemingen die met elkaar concurreren beter en goedkoper nutsvoorzieningen kunnen leveren dan overheidsdiensten. De formule bleek een succes in de telecommarkt, maar bij andere voorzieningen liep dit uit op een mislukking, was er sprake van de verschuiving van een publiek naar een privaat monopolie of bleken er onvoorziene problemen met regulering te ontstaan.

Gas en elektra waren vroeger overzichtelijk: productie, distributie en beheer waren in handen van het gemeentelijke gas- en elektriciteitsbedrijf. Degelijk, ambtelijk, zonder prikkels tot innovatie en afhankelijk van de gemeentelijke begroting voor arbeidsomstandigheden, investeringen, reparatie en onderhoud. Winst speelde geen rol en met de waarde van de energiebedrijven (centrales, netwerken, klantenbestanden) konden de gemeentes niets beginnen.

Met de invoering van de elektriciteitswet in 1998 is de zaak veranderd. De productiebedrijven, de elektriciteitscentrales, zijn volledig geprivatiseerd. Het landelijke hoogspanningsnet is geheel in handen van de rijksoverheid. De vele lokale energiebedrijven zijn verzelfstandigd en samengeklonterd tot enkele kleinere en drie grote bedrijven. Essent, Nuon en Eneco beconcurreren elkaar en proberen met sportsponsoring hun naamsbekendheid te vergroten. Ze hebben hun activiteiten gesplitst in distributie en netwerkbeheer. Grote klanten zijn inmiddels vrij om hun eigen energieleverancier te kiezen, desnoods elders in Europa, en grootverbruikers kunnen hierdoor aanzienlijke besparingen op hun energierekening bereiken. Vanaf volgend jaar krijgen ook particulieren deze vrijheid waarbij verwacht wordt dat concurrentie van de energiebedrijven zal leiden tot lagere prijzen. Er is een Dienst Toezicht en uitvoering energie (DTe), onderdeel van de Nationale Mededingingsautoriteit en ondergeschikt aan het ministerie van Economische Zaken, die belast is met het toezicht op de energiebedrijven en de prijzen vaststelt.

Het heikele punt is de scheiding van distributie en netwerken van de energiebedrijven. De distributie is commercieel aantrekkelijk, maar de netwerken zijn het meeste waard. De aandeelhouders – nog altijd de lokale overheden – willen de energiebedrijven daarom graag in hun geheel verkopen want dat levert het meeste geld op, net als indertijd met de verkoop van de gemeentelijke kabelnetwerken. Maar inmiddels is het politieke klimaat voor privatisering veranderd onder druk van onvrede bij het publiek. Die onvrede wordt in de eerste plaats gevoed door de problemen die de verzelfstandiging en opsplitsing van de spoorwegen voor de treinreizigers hebben veroorzaakt, maar het gaat om een breder economisch vraagstuk.

Water, aardgas, elektriciteit, treinstellen en bussen maken gebruik van netwerken: waterleidingen, gasbuizen, elektriciteitskabels, spoorrails en wegen. Deze netwerken zijn cruciaal bij concurrentie, want verschillende aanbieders gaan geen eigen spoor-, wegen- of energienet aanleggen. Alle partijen moeten gebruik maken van dezelfde netwerken. Daarbij zijn er verschillen per sector: treinen kunnen niet tegelijk op hetzelfde stuk rails rijden, maar bussen wel op dezelfde weg. Elektriciteit van verschillende leveranciers kan prima door dezelfde kabels, water kan niet naar herkomst gescheiden worden. De discussie over marktwerking bij nutsvoorzieningen komt uiteindelijk dan ook neer op de vraag hoe het met de toegang tot de netwerken is gesteld.

De netwerken vormen het publieke belang. Wat energie betreft is privatisering van het juridische eigendom niet wenselijk. Het zou leiden tot lastige reguleringsvraagstukken – de netwerkeigenaar moet contracten afsluiten met de distributeurs en de overheid dient toezicht uit te oefenen op eerlijke toegang, deugdelijk onderhoud, redelijke prijzen en voldoende investeringen. Dat geeft alleen maar werk aan advocaten en de consumenten schieten er niets mee op. Anderzijds is overheidsbezit van netwerken geen garantie voor kwaliteit – zie de ellende van het spoornet. Daarom valt te denken aan concessies die worden uitgegeven aan particuliere bedrijven om de netwerken onder toezicht te beheren.

In de situatie die nu bestaat moeten de verzelfstandigde energiebedrijven zich marktgericht gedragen en staat het personeel onder druk om efficiënter te werken. Er bestaan onduidelijkheden waardoor dingen kunnen mislopen. Zo kunnen onderhoud en reparaties van storingen achter blijven als de inkomsten voor het netbeheer gebruikt worden voor andere doeleinden. EnergieNed, de koepel van energiebedrijven, is van mening dat de tarieven voor het netbeheer die toezichthouder DTe heeft vastgesteld, te laag zijn en mogelijk leiden tot bezuinigingen op onderhoud. Bij afzonderlijke bedrijven, zoals Eneco, kunnen zich specifieke onderhoudsproblemen voordoen.

De energiesector is van strategische betekenis voor de samenleving. Stroomstoringen zijn een ramp die voor zover mogelijk is, voorkomen moet worden. En áls zich een calamiteit voordoet, moet deze snel verholpen worden. Dit betekent dat bij energie vier publieke belangen gewaarborgd dienen te zijn. De voorziening, de levering, de betaalbaarheid en de duurzaamheid van de energie moeten zijn verzekerd, met het belang van de klant als uitgangspunt. Binnen dit publieke raamwerk kunnen private bedrijven opereren. Marktwerking, regelgeving en toezicht moeten hierop gericht zijn. Dat vergt niet alleen goed uitgeruste storingsmonteurs, maar ook heldere politieke besluitvorming, overzichtelijke regels en een goed bestuurlijk kader. Daar ontbreekt het nu nog aan.