Scheve deur maar wel een schoon geweten

Vlak voor Kerst stond Johannes ineens weer voor de deur. Precies zoals hij vier maanden geleden was vertrokken. Met zijn gehavende voortand, zijn dikke buik achter zijn broekriem geperst en in zijn rechterhand een plastic tas met werkkleren.

Zwijgend maakte hij zijn entree, gaf een ferme handdruk en schuifelde zonder een woord te zeggen naar de tuintafel. Daar begon hij, nog steeds in doodse stilte, rustig om zich heen te kijken. Op de vraag ,,koffie?'' knikte hij afwezig. Dat hij inderdaad voor koffie kwam, was zeer onwaarschijnlijk. Gezellig buurten met Johannes is er eigenlijk nooit bij geweest. Daarvoor is zijn Engels te slecht en mijn Zulu, ach ja mijn Zulu. Bij eerdere bezoeken van Johannes had dat wederzijdse onvermogen weinig problemen opgeleverd. Toen kwam hij om te schilderen en hadden we genoeg aan een paar steekwoorden. Hier, daar, okay? okay!

Net voor de stilte echt ondraaglijk werd, tussen de eerste en tweede kop koffie, legde Johannes de ware reden van zijn bezoek op tafel. Of het hier en daar nog wel okay was, wijzend op de muren die nog roken naar zijn laatste schilderwerk. Hij had geld nodig en hoopte dat in de volgende stilte een klus voor hem zou worden verzonnen, al dan niet met nut.

Dit was het moment waarop ik volgens sommige Zuid-Afrikaanse kennissen onverbiddelijk had moeten zijn. ,,Je kunt niet iedereen helpen'', zeggen zij, ,,daar ga je aan onderdoor.'' Dat zijn dezelfde mensen die het autoraam niet omlaag draaien bij de stoplichten waar zwerfkinderen bedelen om een aalmoes. ,,Moet je niet aan beginnen, dat geld gebruiken ze alleen maar om lijm te snuiven.''

Johannes leek me niet het type om lijm te snuiven. Een huisvader met vier schoolgaande kinderen van wie hij de namen vaak liet vallen: Moli, Selena, Mapule, Andrew. ,,Heel duur'', zegt hij dan, ,,too much.'' Johannes werkte hard voor zijn geld, stond zonder klagen uren te verven in de felle zon. Hij deed er alles aan om niet bij die dertig procent van de Zuid-Afrikanen te horen die geen werk heeft. Bovendien, zo duur was een weekje Johannes ook weer niet. Toch? En zo had bij de volgende kop koffie het gif van schuldgevoel zich over al mijn aderen verspreid.

We spraken af dat Johannes in het nieuwe jaar de tuindeur zou repareren, die door de vorige huiseigenaar van de muur was getrokken. En dat hij naar het afdak boven het terras zou kijken dat tijdens de recente zomerregens op verschillende plekken was gaan lekken. Toen hij deze week beide klussen glunderend afrondde, had ik spijt.

De tuindeur hangt weliswaar weer aan de muur, maar scheef. Johannes heeft zich vergist bij het aftekenen van de gaten voor de scharnierbouten. De schroeven zijn stuk voor stuk doorgedraaid onder het geweld van de elektrische boor, en de sloten passen niet meer. De schatting is dat de deur nog vijf keer open en dicht kan, voor hij weer ter aarde stort.

Het afdak bleek bij de laatste regenbui ook nog steeds te lekken, hoewel het volgens Johannes stukken minder erg is dan eerst. Het afgesproken bedrag is op vijftig rand (vijf euro) na inmiddels uitbetaald, omdat ik aan het einde van elke werkdag niet bestand bleek tegen Johannes' smeekbedes voor nog een voorschot. De kinderen, de taxi naar huis: ,,too much, Bram''.

De Zuid-Afrikaanse kennissen halen hun gelijk. ,,En wat heb je hem nu geleerd'', vroeg er een die schuddebuikend de tuindeur stond te bekijken. ,,Dat hij ook met slecht werk geld kan verdienen.''

Met die richtlijn is het bij het stoplicht kennelijk makkelijker het raam dicht te houden. Geef liever niks, hij heeft er op lange termijn toch niks aan. En toch was het afscheid met Johannes gisteren aangenaam. Een scheve deur, een lekkend dak maar wel een schoon geweten, voor een dag of twee. Johannes lachte ook toen hij met zijn plastic tas naar buiten stapte. Hij zou snel weer eens langs komen.

    • Bram Vermeulen