Oases en woestijnen

De koffiemachine is, zeker in Italië, een belangrijk wetenschappelijk instrument. Dus een paar uur nadat ik op de sterrenwacht van Arcetri was aangekomen, stond ik al voor die zoemende kast met een collega te praten. Daar, op de eerste dag van een heel sabbatjaar in Florence, begon de couleur locale. Want waar ik 35 cent in een gleuf moest stoppen voor een caffè macchiato, gebruikte zij een plastic passleutel, met behulp waarvan de koffie 5 cent goedkoper was. Ik was nog Hollands genoeg om die stuiver te betreuren, en vroeg waar ik zo'n pas kon kopen. Ons kleurige gesprek over driedimensionaal stralingstransport knapte als een zeepbel, en zij keek me aan met een mengsel van gêne en meewarigheid. Nee, dat kon ik niet, dat was alleen voor vaste medewerkers van een bepaalde klasse. Dat wordt dus een jaar lang muntjes sparen, om bij iedere 35 centesimi te worden herinnerd aan het bestaan van privileges en tangenti.

Maar daarover niet geklaagd, want wie geen verandering duldt moet thuisblijven. Bovendien is Toscane schitterend. Vanuit ons huisje op een landgoed aan het Pian de' Giullari zie ik over de laurierhagen en langs de olijfbomen Brunelleschi's koepel van de Duomo, de toren van Santa Croce, de Torre del Gallo, en de sterrenwacht. De emotionele klap op de vuurpijl is, dat wij op een steenworp afstand wonen van Il Gioiello: elke dag fiets ik langs de stenen poort met de zwaar bespijkerde deur waarachter de geloofsgestapo Galileï gevangen hield in de laatste tien jaar van zijn leven.

De koffiemachine en zijn financiële eigenaardigheden was maar een voetnoot bij mijn eerste dag. De hoofdtekst betrof mijn werkkamer, of wat daarvoor doorgaat. De collega met wie ik onderzoek doe, had mij een sleutel en een kamernummer gegeven. Het had een toversleutel kunnen zijn, want door de matglazen deur stapte ik zó de wereld van Doornroosje binnen. Stapels merendeels oud papier bedekten alle horizontale vlakken, van de vloer via de bureaus tot de boekenkasten. Daarin geen enkel boek, wel allerhande mappen. Op die kasten: stapels spoelen met driekwart-duims magneetband, in de jaren '80 al antiek. De vensterbanken waren bedolven onder pakken computerpapier; daarop lagen her en der prentkaarten van hondenrassen, die een witte rechthoek achterlieten toen ik ze verschoof. Een handgeschreven datum werd zichtbaar: 9 mei 1973. Ik zag nergens de verwachte bak met ponskaarten, maar ik heb niet in de laden van 's mans bureau gekeken. Er was wel iets te zien van moderne data-opslag: drie stapels kartonnen dozen met cd-roms, nog verzegeld. Ik word al brutaler, pruts er eentje open en steek hem in mijn PowerBook: plaatjes van de Zon uit de jaren '90. Lege enveloppen op zijn bureau, poststempels vanaf 1994.

Ik ruim de papierwoestijn van mijn bureau, haal mijn Mac G4 uit zijn doos en koppel hem aan de monitor. De glinsterende doorschijnende plexiglas koepel die het elektronenkanon omsluit, ziet eruit als een Mondriaan in een zaal vol Hondecoeters. Ik prik de ethernetkabel vast, tik mijn TCP/IP nummer in, en alles werkt ('t is een Mac, nietwaar). Fijn. Daar zit ik dan, fully connected tussen anderhalve kuub oud papier, zonder een millimeter ruimte voor mijn boeken, aantekeningen en cd-roms.

Op dat moment komt Doornroosje zelf binnen, morrelt wat met zijn sleutel in het reeds geopende slot, staat stil in de deuropening. Zijn gezicht is niet boos, of zelfs verrast; bedremmeld is het juiste woord. Zo'n stereotype had ik niet durven verzinnen: grijs pluisbaardje, onbestemde kleur kleren, wat gebogen houding. Niet iemand die ik wakker ga kussen.

Gelukkig, en zoals verwacht, krijg ik hem daarna weinig te zien. Hij is voornamelijk in de geest aanwezig, doordat ik de telefoon voor hem opneem: ``Mi dispiace, professor Piutardi is er niet. Meestal komt hij tussen elf en twaalf binnen.'' ``Hij is net weg'' om half drie. Non l'ho visto, oggi. Ik heb het al zo vaak gezegd, dat ik bijna voor een Italiaan kan doorgaan. Na vier maanden weet ik, dat hij een flinke minderheid vertegenwoordigt: ongeveer een kwart van het instituut staat wetenschappelijk zo droog als de Atacama. Over de rest niets dan goeds; er zijn hier ook toptalenten, met een internationale reputatie.

In Nederland zijn hoogleraren ongeveer even afwezig, maar dan vanwege druk-druk-druk: vergaderen, reizen, geld sprokkelen, `verslagleggen', populariseren. Dus doet professor Managerius net zo weinig wetenschap als zijn collega Piutardi. Door grondige en gedetailleerde procedures zijn de types-Piutardi bij ons vrijwel uitgeroeid, en dat is maar goed ook. Waar ik soms benauwd voor ben, is dat het vermijden van risico's zover is doorgevoerd dat de genieën waarvan wij het uiteindelijk moeten hebben, ook worden afgeschoten. Zoals het Friese stamboekvee genetisch gezien vrijwel uit één enkel rund bestaat, zo is de hoogleraar nieuwe stijl bijna uitsluitend leverbaar in één model: het managerstype, jasje-dasje-bek. Zelf heb ik ongewild een veeg van die lamijmaareffe-stijl meegekregen, en kan mij Piutardi's reactie wel voorstellen: wat moet die kinkel hier?

Ik hoop, misschien tegen beter weten in, dat het onaangepaste genie en de schuchtere geleerde in Nederland toch ergens kunnen aarden. Er moet ruimte zijn voor mensen die wat meer doordenken op langere termijn. Wij weten helemaal niets over de manier waarop Einsteins ontstaan, en bijna niets over de manier waarop zij moeten worden behandeld. Verreweg de meeste grote geleerden wisten al vroeg dat zij onderzoeker wilden worden. Ook was er meestal een volwassene bij betrokken die niet meteen schamper deed, en er de vaart in hield. Zo iemand als een sportieve oom, die je geen vlieger voor je verjaardag gaf, maar een stuk bamboe, een rol touw en een tube lijm, zodat je als vanzelf naar het juiste papier ging zoeken. Maar voor spelen is de herverkavelde en `gelaserde' polder ongeschikt.

Het is ook onbekend of het oase-woestijnmodel meer geniale geleerden oplevert dan het poldermodel. Ik kan het niet bewijzen, maar ik vrees dat de poldervorm minder kans maakt. Werken volgens plan is subsidiëren van de middelmaat. Doemaargewoondandoejegekgenoeg is een verwensing die het vanzelfsprekende zelfvertrouwen van elk natuurtalent zwaar beschadigt. De successen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst; Huygens hebben we wel, maar die heeft nooit een voet in een universiteit gezet.

De couleur locale van de Florentijnse wetenschap doet denken aan de Italiaanse winkelstraat, met zijn talloze kleine pa-en-ma-winkeltjes, waar erbarmelijk slechte en verbluffend goede bij zijn. Hier koop je een paar schoenen van Aziatisch karton. Maar drie huizen verder zit een schoenmaker wiens betovergrootvader hetzelfde vak had, en wiens laarzen uitnodigen tot een voetreis naar Rome. Niemand zal de Via Gioberti verwarren met de Via Masaccio; zij hebben een glashelder eigen karakter. Dat hebben de Nederlandse winkelstraten niet meer; de uniforme aanblik van de ketenwinkels maakt alle steden even suf. Maar of Leiden dan wel Firenze de nieuwe Galileï zal voortbrengen, durf ik niet te voorspellen.

Intussen blijf ik dan maar muntjes sparen voor een bakje troost. Nu we het toch over geld hebben: het stipendium dat het Instituut mij beloofde, is in de Romeinse bureaucratie vastgelopen, omdat de regering-Berlusconi al een jaar aan het klungelen is met de finanziaria. Blijf dus alstublieft deze column lezen! Ik heb het geld echt nodig.

    • Vincent Icke