METAFYSICA 3

Het probleem dat F.A. Muller beschrijft (W&O, 28 dec) is naar mijn mening eerder methodologisch dan metafysisch van aard. Maxwell c.s. genereren `gekke' varianten van een geaccepteerde theorie – gefundeerd op waarnemingen – door er uitzonderingen in op te nemen voor situaties die nooit zijn waargenomen. Vervolgens stelt hij vast dat die gekke varianten niet in strijd zijn met de waarnemingen en dus even acceptabel als de algemeen aangehangen theorie. Dit is een ongeldige redenering, omdat het precies het omgekeerde doet van wat in de wetenschap geaccepteerd wordt als bewijsvoering van een theorie. Het komt er op neer dat je aanneemt dat de verschrikkelijke sneeuwman bestaat, omdat nog nooit overtuigend bewezen is dat hij niet bestaat. Abelard, zo niet Aristoteles, heeft dit lang geleden al naar de prullenbak verwezen. In de formulering van Occam (`Occcam's razor'): `het aantal der zijnden mag niet zonder noodzaak vermenigvuldigd worden'. Toegepast op theorieën: de eenvoudigste theorie (d.w.z. die zonder ad-hoc uitzonderingen voor situaties die nog nooit zijn waargenomen) is de beste.

Strikt genomen is een natuurwetenschappelijke theorie namelijk geen theorie over de realiteit, maar over waarnemingen. Hoewel de meeste natuurwetenschappers realisten zijn en geloven dat hun theorieen ergens over gaan, is dit geloof niet noodzakelijk om vruchtbaar wetenschap te bedrijven. Een theorie hoeft dan ook niet waarnemingen te verklaren die niet zijn gedaan. Nieuwe waarnemingen of feiten kunnen een theorie weerleggen, of blijken te passen binnen het schema van de theorie.

Verder heeft hij natuurlijk gelijk als hij constateert dat natuurwetenschappelijke theorievorming in de praktijk anders loopt dan Aristoteles, de positivisten, Popper, Kuhn, beschreven. Een open deur, maar van Mullers beschrijving krijg ik niet de indruk dat Maxwells benadering helpt de kieren te dichten. Zijn oproep om in het onderwijs meer aandacht te besteden aan wetenschapsfilosofie wil ik echter geheel onderschrijven.