Lang leve het pitrus!

Niet vogels maar machines vormen het kenmerkende geluid van de nieuwe natuur. Onderzoeker Rob Bijlsma leidt rond langs het `lompe' natuurbeheer.

`Er broedden kwartelkoningen in de hooilandjes langs de Vledder Aa', vertelt natuuronderzoeker Rob Bijlsma. ``Vijf lentes achter elkaar zijn de legsels kapotgemaaid. Let wel, het zijn natuurgebieden waar het maaien vanwege de broedende weidevogels is uitgesteld tot na 15 juni. Grutto's en kieviten hebben dan tijd genoeg om hun jongen op tijd groot te brengen. Alleen zitten die vogels daar niet. Er zitten wèl kwartelkoningen, die pas in juni en juli eieren en jongen hebben. Dat leg ik de beheerders van Natuurmonumenten en het Drents Landschap uit tot ik schor ben. `Ja Rob', zeggen ze dan, `maar als we later maaien raken we het hooi niet kwijt'. Dan breekt echt mijn klomp: gaat het nou om natuur of om de hooiopbrengst?''

Rob Bijlsma (47) woont sinds 1992 in het Nationaal Park Drents-Friese Wold in Zuidwest-Drenthe. Zijn schilderachtige huisje is eigendom van Natuurmonumenten. Een zonnige erker geeft uitzicht op een open plek met vennetje. Voordien woonde hij op de Veluwe, ook middenin het bos. Zijn jeugd bracht hij daar vogelkijkend en inventariserend door. Hij schreef standaardwerken over vogels zoals de `Ecologische atlas van de Nederlandse roofvogels' en vele artikelen in vogelbladen. Hij ontdekte hoe op de Veluwe met het verdwijnen van graanakkers de houtduif als broedvogel verdween, sloeg alarm toen Staatsbosbeheer illegaal bomen met havikshorsten en al rooide. Hij leeft van incidentele natuurinventarisatie-opdrachten voor bijvoorbeeld Staatsbosbeheer. Veel heeft hij niet nodig; van twee maanden betaald werk houdt hij zich de rest van het jaar in leven en kan hij naar hartelust onderzoeken hoe vogels zich gedragen en wat de effecten zijn van natuurontwikkeling.

Vlakbij zijn huis gaan het Wapserveld, het stroomdal van de Vledder Aa, en de Hertenkamp op de schop om nieuwe natuur te maken, onder verantwoordelijkheid van Natuurmonumenten, Drents Landschap en Staatsbosbeheer. Bijlsma is daar weinig enthousiast over. ``Het natuurbeheer is gebaseerd op hardnekkige misverstanden'', vindt hij. Dat wil hij graag in het veld laten zien.

We lopen naar een vlakte met pollen pijpestrootje, pitrus en hei. ``Daar lagen weilanden'', vertelt hij. ``Grond voor natuur onttrekken aan de landbouw is prima, maar laat de natuur dan ook het werk doen. Niks ervan. Om de bemeste graslanden te verschralen liet Natuurmonumenten de vruchtbare toplaag eraf halen door een aannemer, met graafmachine en tractoren. Zo'n man komt als het hem uitkomt: begin april, toen de padden bezig waren met de ei-afzet in die sloot daar.'' Hij wijst naar een lange, smalle strook pitrus. ``Dat ze de aanvoer van vervuild water afsluiten vind ik prima, zolang dat niet ten koste gaat van planten of dieren. Maar de afgegraven grond moest weg, dus hup, in de sloot: weg padden. Het zich voortplantende deel van de populatie was vernietigd.'' Overal liggen nog bulten aarde, volgens Bijlsma een gratis depot voor de aannemer. ``Heeft hij grond nodig, dan raust ie gewoon hierheen met een tractor. Laatst hebben jongens met crossmotoren die zandhopen ontdekt.''

Verderop kleurt de vlakte donkergroen van stekelige pollen pitrus. Hei was hier de bedoeling geweest. Bijlsma: ``De gemiddelde beheerder krijgt een rode waas voor ogen als het woord pitrus valt, omdat die plant gedijt op verstoorde bodem. Maar om pitrus te bestrijden verstoren ze die bodem zelf met hun graaf- en maaimachines. Of ze zetten koeien in, dé manier om pitruszaad te verspreiden en de bodem verstoord te houden. Vroeger ontstonden schrale graslanden door langdurig extensief gebruik: handmatig maaien, begrazen, licht bemesten. Nu wil men dat in één klap bereiken: humus afschrapen en heideplantjes uitstrooien in de hoop dat... kijk, daar ligt zo'n heiplantje.'' Hij diept een verschrompeld plukje hei tussen de pitrussen op. ``En maar hopen dat die hei aanslaat. Terwijl de regen constant verrijkende stoffen aanvoert, en die machines de bodem samendrukken, zodat hei het blijft afleggen tegen pijpestrootje en pitrus.''

KWIJNENDE SOORTEN

Overal waar boerenland uit productie genomen wordt, ontstaan pitrusvelden; of men de toplaag nou wegschraapt of niet. Volgens Bijlsma is de weerzin tegen pitrus nergens op gebaseerd. Want wat ontdekte hij? De in West-Drenthe voorheen schaarse sprinkhaanzangers komen juist in pitrusvelden broeden. ``Vorig jaar heb ik in deze omgeving 18 territoria vastgesteld, bijna allemaal in pitrusvelden'', vertelt hij. ``Ook grasmus, kneu en blauwborst broedden er, evenals kwijnende soorten als kwartelkoning en paapje. Adders en kikkers zijn er gek op. Zoiets vind ik nou leuk: een totaal onvoorzien succes van een ontwikkeling die natuurbeheerders uit alle macht proberen tegen te gaan. Het is hoog tijd pitrus te leren waarderen.''

Bijlsma schreef er een stuk over, dat hij naar de beherende instanties zond. Ze reageerden niet. ``Ze gingen gewoon door met plaggen en koeien! Interesseert het ze niet, past het niet in hun wereldbeeld, zijn ze analfabeet? Al zou pitrus ongewenst zijn, wacht dan eens twintig jaar af en kijk wat er gebeurt: die planten maken vanzelf plaats voor iets dat past bij de terreingesteldheid op dat moment.''

Maar kijken wat er gebeurt doen natuurbeheerders tot Bijlsma's ergernis nauwelijks. ``Als ze nou nog met de hand zouden plaggen... Op die machines zien ze niet eens wat ze vernielen. Hier deden ze het zelfs hartje zomer. Eerst werden bij de gratie Gods de adders gevangen en verplaatst. Kennelijk vraagt niemand zich af of dat ongestraft kan. Ook komt niemand op het idee de slangen te merken om hun overlevingskansen bij te houden. Nee, onderzoek wordt gemeden als de pest.''

Door het Wapserveld stroomt de Vledder Aa, een gekanaliseerde beek met fraai begroeide oevers. Toch willen Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten de beek dempen, om verderop een nieuwe bedding te graven. Bijlsma: ``Kronkelend zoals vijftig jaar geleden. De tekeningen lagen er nog uit de tijd van de kanalisering. Zo verdienen de ingenieurs en aannemers er twee keer aan.'' Een kronkelende geul houdt het water langer vast dan een recht kanaal. Maar volgens Bijlsma hebben die paar kronkels geen effect op de waterhuishouding. ``De waterstand moet nog steeds geregeld worden met een batterij stuwen stroomafwaarts.''

We lopen door de Hertenkamp, voorheen een kleinschalig cultuurlandschap, nu een Natuurmonument. Tussen de boomstronken is de grond vergeven van de rupsband-sporen. ``Natuurmonumenten wilde hier van de eikenlanen af'', zegt Bijlsma. ``Omdat het landschap opeens een open karakter moest hebben. Die oude eiken zijn omgezaagd.'' Van twee kanten klinkt in de verte het geraas van graafmachines. ``Dat is het kenmerkende geluid van die nieuwe natuur: geen vogels, maar machines. Je denkt dat het tijdelijk is, maar het gaat jaren door. Elke lompe ingreep heeft onvoorziene, ongewenste effecten die weer nieuwe maatregelen uitlokken. Kom, ik laat je wat zien.'' Hij beent naar een verse, zandige sleuf door de hei. ``Dit noemen ze een slenk'', huivert hij. ``Wat reliëf kan geen kwaad, maar dit lijkt wel een tankgracht. Ook hier werd een aannemer ingehuurd. Helaas groef hij per ongeluk te diep en stootte hij de waterdichte laag lek. Zo zal het natuurgebied als een badkuip leeglopen. Dus volgen er weer desperate overlegjes: wat te doen? Leem erin smeren?''

We kruisen de slenk via een fonkelnieuwe klinkerweg. De Huenderweg tussen Doldersum en Wateren kreeg uit nostalgisch oogpunt weer een kronkel en haalde daarmee de tv-journaals. Bochten en klinkers passen beter in het natuurlijke landschap dan kaarsrecht asfalt, vinden de beheerders. Bijlsma heeft er geen goed woord voor over: ``Door die bochten is de weg langer geworden en doet het verkeer er langer over. Precies in het kwetsbaarste deel van het park! De kans op het aanrijden van slangen, hagedissen en heidekikkers is groter geworden. Naast de oude weg lag een greppel met muizengaten waarin slangen overwinterden. Die is dichtgegooid. Hier is een nieuwe greppel getrokken; benieuwd wat die adders daarvan vinden.'' Hij wijst naar een kaarsrechte sleuf met steile zandwandjes. ``Sluit die weg toch. Die anderhalve man en een paardekop uit Doldersum en Wateren kunnen best omrijden. En laat anderen maar lopen.''

Aan de overkant van de weg zweeft een blauwe kiekendief over de velden. Daar ligt het Doldersummerveld, van het Drents Landschap, dat volgens Bijlsma beter beheerd wordt. Al twintig jaar doet dezelfde persoon dat, die het gebied zelf inventariseert en een paar maatregelen consequent volhoudt: het hele jaar schapen, 's zomers koeien, soms een stuk maaien. Bijlsma: ``Een heel verschil met het Wapserveld, waar Natuurmonumenten allerlei ad hoc beheer voert: overbegrazing, geen begrazing, nu eens koeien, dan weer schapen, jaarrond of tijdelijk, wel of niet plaggen; kortom, een zooitje. Sinds 1990 is de derde beheerder er bezig.''

KOFFIE EN KOEKEN

De winterzon is weggezakt. Boven zijn huis kwetteren kruisbekken luidruchtig in een douglasspar. Binnen snort de kachel en draagt Bijlsma koffie en koeken aan. Hij doorbreekt zijn in vogelaarskringen spartaanse imago als iemand die op water en brood met kaas leeft. ``Is dat mijn imago? Hahaha! Weer zo'n aanname die nodig ontkracht moet worden!'' Maar dat hij vaak van voor het eerste ochtendgloren tot diep in de nacht achter vogels aangaat, ontkent hij niet. Van elk plekje in de wijde omtrek weet hij of er een appelvink, wespendief, bosuil of nachtzwaluw broedt. Hij leerde het vak in zijn jeugd door duizenden uren naar vogels te kijken. Een wetenschappelijke opleiding heeft hij niet. Thuis haalt hij die achterstand in door klassieke en moderne biologen te bestuderen.

``Volgens de internationale regels mag je in een Nationaal Park alleen activiteiten ontplooien als die de natuur niet schaden'', zegt hij. ``Maar bij ons legt iedereen claims op zo'n natuurgebied, ook niet-eigenaren. Over de Huenderweg beslisten recreatieschappen en gemeenten mee. Een Nationaal Park is het poldermodel in optima forma. Het resultaat is een soort pretpark met natuur als decor. Ze zeggen dat recreatie de natuur niet schaadt en nodig is voor het draagvlak: twee broodjes aap.''

WEGGEGOOIDE BLIKJES

Onderzoeksresultaten worden volgens Bijlsma genegeerd, tenzij ze de natuurbeheerders goed uitkomen. Zo herinnert hij zich dat een ontdekte ligplek van adders werd doorgegeven, waarna Staatsbosbeheer die plek niet beschermde, maar de excursieroute erlangs legde. Bijlsma ziet dat met de toename van voorzieningen en bezoekers het aantal natuurliefhebbers daalt, ``want die willen rust, zijn niet bang voor moddervoeten en laten belangen van plant en dier voorgaan.'' Hij staaft zijn bezorgdheid met gegevens die hij de afgelopen tien jaar bijhield: iedere maandag telde hij het aantal mensen met honden dat hij tegenkwam. Dat verzevenvoudigde in die periode zowat van 24 tot 172. Het percentage van alle hondenwandelaars dat de hond liet loslopen steeg van 70 naar 90 procent. Op een 2,75 kilometer lange zandweg door het bos telt Bijlsma de hoeveelheid weggegooide blikjes. De index vertoont een ononderbroken stijgende lijn, van 18 in 1993 tot 175 in 2002. ``Let wel, dan raap ik ze nog systematisch weg ook. Waar ik dat niet doe, is de toename nog veel sterker. En dan heb ik het nog niet over de andere troep. Drinkkartonnetjes zijn duidelijk in de mode. Weet jij wat breezers zijn?''

Al zou slechts 1 procent van de bezoekers (''die net zo lief naar de Efteling gaan'') de natuur ernstig verstoren, wat volgens hem heel voorzichtig is ingeschat, dan zou je met een miljoen bezoekers per jaar al tienduizend verstoorders binnenhalen. In het naburige Nationaal Park Dwingelderveld komen jaarlijks twee miljoen bezoekers. Bijlsma: ``Natuurontwikkeling komt neer op verwoesting van die natuur en inrichting tot recreatieterrein. Van mij hoeven ze niet alle gebieden voor publiek af te sluiten, maar als het om natuur gaat moet je ze beslist niet toegankelijker maken. Maar het gaat hen niet om natuur, het gaat de natuurbeheerders om geld en recreatie. En dat zijn degenen die over die natuur moeten waken! De natuur verdient bescherming zonder concessies, zonder gemekker over geld. Beperk het beheer tot een paar ingrepen die de natuur niet schaden, zoals het weren van gebiedsvreemd en vuil oppervlaktewater. Niet plaggen of alleen handmatig, consequent begrazen zonder overbegrazing, niks afgraven maar gewoon kijken wat er gebeurt. En de boswachters zouden weer moeten gaan boswachten in plaats van fondsen en donateurs werven en oeverloos vergaderen.''