Kiezers zijn niet rechtser geworden

De Nederlandse kiezers hebben bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer vorig jaar mei helemaal geen ruk naar rechts gemaakt. Dat vinden de Leidse politicologen Galen A. Irwin en Joop van Holsteyn. Zij baseren zich daarvoor op de resultaten van het Nationaal Kiezersonderzoek 2002. Deze conclusies helpen bij de juiste interpretatie van de Kamerverkiezingen van volgende week woensdag.

Voor de Tweede-Kamerverkiezingen van 2002 wordt in toekomstige geschiedenisboeken een voorname plaats ingeruimd. Dat stond voor 15 mei al vast. Een kabinet dat er vlak voor het halen van de finish de brui aan geeft plus de moord, negen dagen voor de verkiezingsdag, op de meest succesvolle politieke nieuwkomer die Nederland ooit gekend heeft, stonden daar borg voor. Daar kwam uiteraard de spectaculaire uitslag bij. Nooit eerder werden door Nederlandse politieke partijen zo grote electorale verliezen geleden en winsten geboekt. Het electoraat was hevig op drift, zo stelde menigeen vast.

Maar misschien was `op drift' niet de meest gelukkige term, omdat het de klank had van het willekeurig alle kanten uit schieten van een sterk gefragmenteerd, gedifferentieerd electoraat. Volgens verscheidene commentatoren was dat een niet onjuiste, maar toch enigszins inadequate typering: er zat immers richting en structuur in de beweging. Er zou sprake zijn van een ruk naar rechts. Als het electoraat al op drift zou zijn, dan toch met een duidelijk afwijking naar rechts.

Ter ondersteuning van een dergelijke interpretatie werd gewezen op het gedachtegoed van Pim Fortuyn en op de kennelijke aantrekkelijkheid van de door hem aangesneden politieke vraagstukken en voorgestelde oplossingen.

Fortuyn wees keer op keer op het falen van de overheid, op de inefficiëntie van de bureaucratie en de noodzaak tot drastische afslanking van het overheidsapparaat, op de verstikkende regelgeving in Nederland met betrekking tot onderwijs en zorg, op het belang dat ondernemingszin meer gewaardeerd zou worden en makkelijker kon worden vormgegeven, op de gegroeide gevoelens van onveiligheid en de onmacht van politie en justitie, en niet in de laatste plaats op de vele gevaren die de instroom van asielzoekers en andere immigranten zou betekenen voor de Nederlandse samenleving. Een helder rechtse agenda, zoveel was duidelijk. Een aantrekkelijke agenda ook, gezien het feit dat anderhalf miljoen kiezers er steun aan gaven, goed voor 26 Kamerzetels.

Niet alleen commentatoren interpreteerden de uitslag van 15 mei 2002 in termen van een verrechtsing van het electoraat. Want – eerlijk is eerlijk – het harde bewijs ontbreekt, maar het kan bijna niet anders zijn of Gerrit Zalm zal deze interpretatie in zijn achterhoofd hebben gehad toen hij `de stekker eruit trok'. De LPF stond op dat moment heel laag in de peilingen, en de (vermeend) rechtse aanhang van de dolende club leek voor de VVD voor het oppikken. Hoewel het aanwijzen van uitsluitend Zalm als schuldige van de val van het kabinet-Balkenende een vergaande simplificatie is, zal bij zijn inschatting van de gevolgen deze duiding van de verkiezingen een lonkend electoraal perspectief hebben geboden.

Het idee dat verleden jaar een ruk naar rechts zichtbaar is geworden, lijkt steeds minder houdbaar. Waarom staat de VVD dan nog niet op vele zetels winst in de peilingen? En hoe kunnen we, bijvoorbeeld, in dat geval de huidige successen van partijen als SP en PvdA in de peilingen begrijpen? Is het electoraat nu ineens bezig met een ruk naar links, zo kort volgend op die beweging de andere richting uit?

Een antwoord op deze vragen kan worden gegeven met behulp van gegevens van het zogeheten Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) 2002. Dat is een interuniversitair onderzoeksproject, dat in 2002 voor de tiende achtereenvolgende keer bij Tweede-Kamerverkiezingen heeft plaatsgevonden.

Rondom 15 mei 2002 is met een groot aantal kiesgerechtigden een uitgebreid vraaggesprek gehouden. In dat gesprek, met dezelfde mensen voor en na de verkiezingen, is gevraagd naar tal van politiek relevante houdingen, percepties, verwachtingen, beoordelingen en gedragingen. Omdat tal van vragen reeds deel uitmaakten van eerdere NKO's, is een vergelijking door de tijd van het Nederlandse electoraat mogelijk.

In de meest direct manier om te bezien of het electoraat naar rechts is opgeschoven, wordt gebruik gemaakt van de zelfplaatsing van kiezers in termen van links en rechts. Respondenten van de NKO's van 1994, 1998 en 2002 is gevraagd zichzelf te plaatsen op een schaal lopend van links naar rechts. Dan verschijnt een overwegend stabiel beeld. Afhankelijk van hoe de vraag precies is gesteld en de antwoorden worden gegroepeerd, zien we voor alle jaren dat 25 tot 30 procent van de kiezers zichzelf als links ziet, 30 tot 45 procent zichzelf een middenpositie toedicht, en 25 tot 30 procent zichzelf plaatst aan de rechterkant van het politieke spectrum. Waar in 1998 26 procent zich op de vier meest rechtse posities plaatste (op een schaal lopend van 1 tot en met 11) was dat in 2002 27 procent, een betekenisloos verschil van één schamel procentje.

Termen als links en rechts zijn weinig eenduidig en sowieso in het huidige tijdsgewricht niet hanteerbaar, zo wordt beweerd. Misschien is dat zo. Maar ook als gekeken wordt naar de standpunten van de Nederlandse kiezers ten aanzien van een aantal meer specifieke maatschappelijke en politieke vraagstukken, zien we meer stabiliteit dan verandering, laat staan dat een evidente verschuiving in rechtse richting zichtbaar wordt. Over het electoraat als geheel zien we voor de periode 1994-2002 nauwelijks verandering in de beantwoording van identieke vragen naar meningen ten aanzien van het euthanasievraagstuk, de inkomensverdeling, kernenergie en kerncentrales, en zelfs ten aanzien van het criminaliteitsvraagstuk.

Slechts de houdingen met betrekking tot asielzoekers en integratie van minderheden lijken in de loop der tijd enige verandering te hebben ondergaan. Maar ook hier is het verschil gering. In 1998 was 42 procent van de ondervraagden van mening dat het beleid erop gericht moest zijn zoveel mogelijk asielzoekers terug te sturen, en in 2002 gaat het om 49 procent.

Met betrekking tot de vraag of allochtonen en etnische minderheden zich in Nederland al dan niet moeten aanpassen aan de dominante cultuur, zien we een vergelijkbare betekenisvolle, maar desalniettemin geringe, verschuiving. In 1998 was een krappe meerderheid van 55 procent van de kiesgerechtigden van mening dat deze groepen zich min of meer volledig aan de Nederlandse cultuur zouden moeten aanpassen. In 2002 bedraagt het vergelijkbare percentage 68, en daarmee is dit in feite de enige aanwijzing voor werkelijke beweging op het niveau van houdingen en meningen van het Nederlandse electoraat.

Al deze cijfers bij elkaar vormen een wankele basis voor de conclusie dat van een ruk naar rechts sprake was.

Hoe kunnen de electorale woelingen van 15 mei 2002 dan wel kunnen worden begrepen? Was het dan, en ook deze interpretatie is gangbaar, het toegenomen cynisme van de kiezers? Fortuyn manifesteerde zich nadrukkelijk als de kritische woordvoerder van de kiezers die met afkeer het politieke bedrijf gadesloegen, als zij dit al deden.

Een combinatie van eigen machteloosheid en walging van wat `Den Haag' deed en voorstelde zou hebben geleid tot een stem voor `Pim'. Het feit dat door zijn aanhangers bijna standaard uitsluitend de voornaam van de politicus werd genoemd, gaf al aan dat zij hem wel meenden te kennen en hem vertrouwden – hij was anders dan die politici.

Echter, ook een interpretatie gebaseerd op het vermoeden van toegenomen cynisme en afgenomen politiek zelfvertrouwen vindt nauwelijks steun in de gegevens van opeenvolgende Nationale Kiezersonderzoeken.

Op basis van de reactie op verschillende stellingen kan een totaalscore voor politiek cynisme worden vastgesteld. In 1994 scoorde 49 procent van de kiesgerechtigden op de twee (van de vier) hoogste posities van deze score. In 1998 ging het om 45 procent, en in 2002 om 54 procent. Inderdaad, een toename van politiek cynisme, maar ook hier weer een verschuiving die eigenlijk niet meer dan marginaal genoemd kan worden.

Voor politiek zelfvertrouwen geldt hetzelfde. Hier is eveneens een totaalscore berekend, en in 1994 gaf 27 procent van de kiesgerechtigden blijkens een score op de twee (van de vijf) laagste waarden van deze score aan weinig politiek zelfvertrouwen te hebben. In 1998 ging het om 25 procent, en in 2002 was er een lichte stijging van het aantal mensen met weinig politiek zelfvertrouwen naar 29 procent.

Op basis van de ons ter beschikking staande gegevens kan daarom niet van een ruk naar rechts gesproken worden. In algemene termen is dat niet het geval, en ook niet als gelet wordt op specifieke strijdpunten, met als enige uitzondering misschien de houding ten aanzien van het immigratie- en integratievraagstuk. Gevoelens van politiek cynisme en machteloosheid lijken evenmin in 2002 in zodanig toegenomen mate aanwezig te zijn geweest, vergeleken met eerdere Kamerverkiezingen, dat de opkomst en electorale succes van Pim Fortuyn en zijn LPF ermee verklaard zouden kunnen worden.

Wat dan wel? Bij het zoeken naar een verklaring van de uitslag van 15 mei 2002 lijkt het oog te veel gericht geweest te zijn op mogelijke veranderingen onder de kiezers. Maar voor een beter begrip van wat op die dag zichtbaar werd, moet tevens goed op het aanbod van partijen worden gelet. En in 2002 was er plots een partij (of beter: politicus) die voorzag in een reeds langere tijd bestaande behoefte van het electoraat.

Groepen kiezers met een bepaald samenstel van houdingen en opvattingen kregen ineens een politieke optie die aansloot bij de eigen ideeën. Die groepen kiezers waren er eerder al, maar konden toen hun politieke ei niet kwijt. Pim Fortuyn bood hun in 2002 de mogelijkheid. Gevoelens van cynisme, kritiek op paars, afkeer van immigranten, het was allemaal niet zo nieuw of heel bijzonder. Bijzonder was dat er dit keer in het stemlokaal uitdrukking aan kon worden gegeven.

De VVD heeft wellicht mis gegokt. De spectaculaire uitslag op 15 mei 2002 was geen manifestatie van een verrechtsing van het Nederlandse electoraat, en voor de rechtse taal die Zalm in de lopende campagne uitslaat is dan ook geen gegroeid publiek. Aan de electorale vraagkant is niet zo bar veel veranderd; het gaat om het aanbod en dan is het begrijpelijk dat Zalm het moeilijk heeft, als representant van de oude paarse politiek en ook nog eens degene die als verdachte breker de rekening krijgt gepresenteerd.

Tegelijkertijd zien we met name de PvdA verbluffend snel opkrabbelen na het debacle van een jaar geleden. En ook hier heeft het ingrijpen aan de aanbodkant naar het zich laat aanzien meer effect gehad dan het inspelen op een vermeende ontwikkeling onder de Nederlandse kiezers. Melkert weg, Bos als lijsttrekker, en zie, er lijkt een andere partij te zijn ontstaan, een partij die kennelijk wel voldoet aan de wensen van de kiezer.

Dat het Nederlandse electoraat zich redelijk stabiel betoont waar het de eigen opvattingen betreft, wil niet zeggen dat er ook in het gedrag stabiliteit zal zijn. Dat is duidelijk niet het geval. Na een periode van verzuiling, waarin het kiesgedrag tot op grote hoogte begrepen kon worden op basis van iemands religie, kerkbezoek en sociale klasse, en een periode waarin ideologische oriëntaties voor velen tot een enkele politieke voorkeur leidden, zijn we in een periode gekomen waarin de kiezer keer op keer het aanbod van partijen bestudeert en vervolgens een keuze maakt. Vanuit een overigens min of meer stabiele uitgangspositie van meningen en oordelen kan van verkiezing op verkiezing een andere keuze worden gemaakt, in hoge mate afhankelijk van het beschikbare politieke aanbod.

De beweeglijkheid in kiesgedrag laat zich weer illustreren met gegevens van het Nationaal Kiezersonderzoek. Al vanaf het eerste onderzoek van 1971 bevat de vragenlijst een vraag naar het stemverleden. Heeft men altijd al op dezelfde partij gestemd, of heeft men wel eens iets anders gestemd dan de partij waarop bij de meest recente verkiezingen een stem is uitgebracht? Als we de ontwikkeling zien in het aantal mensen dat zegt altijd dezelfde partij te kiezen, wordt de electorale beweging duidelijker.

In 1971 zei nog 69 procent altijd dezelfde partij te hebben gestemd. Tien jaar later, in 1981, was dat percentage al gezakt tot 49 en in 1994 stond de teller der standvastigen op 38 procent. Via 34 procent in 1998 zijn we in 2002 uitgekomen op 29 procent van de kiezers die aangeven altijd op dezelfde partij te hebben gestemd. Van een zeer ruime meerderheid in het begin van de jaren zeventig naar een minderheid dertig jaar later.

Niet alleen wisselen meer kiezers kennelijk van partij, maar de keuze wordt ook veel later pas gemaakt. Dat maakt de kans op een verrassing op de verkiezingsavond des te groter. In 1971 koos 10 procent van de kiezers in de laatste dagen en 69 procent langer dan enkele maanden voor de verkiezingen voor een bepaalde partij. Die verhouding is drastisch veranderd, vooral in de jaren negentig.

In 1994 ging het om 25 procent late kiezers en 43 procent die al lang tevoren wist op welke partij gestemd zou worden. In 2002 is de groep vroege kiezers met 39 procent nog maar marginaal groter dan de groep die in de laatste dagen of zelfs op verkiezingsdag zelf tot een keuze komt (29 procent).

Kiezers kijken de electorale gang van zaken erg lang aan, en slaan pas laat toe. Dat geeft toekomstige politieke ondernemers goede kansen. En dat zal er waarschijnlijk eveneens toe leiden dat de Tweede-Kamerverkiezingen van 15 mei 2002 weliswaar grote veranderingen hebben laten zien, maar dat de verleden jaar scherp gestelde records van wisselvalligheid en instabiliteit in kiesgedrag op niet al te lange termijn gebroken zullen worden.

Prof. Galen A. Irwin Ph.D. en dr. Joop van Holsteyn zijn verbonden aan het departement Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden. Galen A. Irwin is voorzitter van de Stichting Kiezersonderzoek Nederland (SKON). Joop van Holsteyn voert de directie van het NKO 2002 en het NKO 2003.

    • Joop van Holsteyn
    • Galen A. Irwin