Doe wat!

Demissionair premier Balkenende heeft de wetenschap om raad gevraagd over de normen en waarden. Maar zijn geleerde adviseurs vinden praten daarover niet zo nuttig. `De overheid is zelf de grootste veranwoordelijkheidsvervuiler.' Een boemerang voor Balkenende.

`Wat ik zo merkwaardig vind'', zegt Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) ,,dat is dat het vaak zo donker is in die stations. Dat geeft een onbehaaglijk gevoel, dat heeft iets groezeligs, dat trekt ongure elementen aan. Dat moet toch makkelijk anders kunnen? In het buitenland heb je dat niet, daar is veel meer licht. Maar hier? Neem die nieuwe hal van Schiphol, donker, onoverzichtelijk, je oog krijgt geen houvast.''

Wie met sociologen en criminologen over normen en waarden praat, komt verrassend snel op andere onderwerpen. Op de inrichting van de openbare ruimte bijvoorbeeld, op toezicht, op controle en op het onderwijs. Over de normen en waarden zelf zijn de geleerden snel uitgepraat. Hans Adriaansens, voorzitter van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) belandt ook snel in de publieke sfeer. ,,Ik zie niets in dat gepedagogiseer en gepsychologiseer. Alsof de Nederlanders hun kinderen niet goed opvoeden! Ik vind dat een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid bij de overheid ligt. De arrangementen van de overheid maken dat de samenleving te grootschalig en te abstract wordt ingericht. De scholen zijn te groot, de universiteiten en ziekenhuizen te massaal. Dat geeft anonimiteit, gebrek aan betrokkenheid.''

Kees Schuyt is lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Hij vindt veel van het gepraat over normen en waarden niet zo nuttig. ,,Er is niet zoveel mee aan de hand. De norm `Gij zult niet stelen' – die norm leeft en heeft niets aan kracht verloren. Als premier Balkenende zegt dat er een gebrek aan consensus is over normen en waarden, dan vind ik dat niet zo zinvol. We hebben in dit land altijd met waardenconflicten kunnen leven.''

Interessant, want het is precies premier Balkenende die uitgerekend aan Schuyt, Adriaansens en Schnabel heeft gevraagd hem raad te geven over ,,het belang van gemeenschappelijke waarden voor onze samenleving'' en over de vraag aan ,,welke waarden daarbij in het bijzonder moet worden gedacht''. De WRR kreeg de hoofdopdracht en werd verzocht samen te werken met RMO en SCP. Vóór het eind van dit jaar moeten de adviezen klaar zijn. De hoge regeringsadviseurs van deze drie adviescolleges maken niet de indruk dat ze een eind met de premier meegaan. Overheersend in hun eerste analyse is een beleefde scepsis over de normen-en-waardenbenadering. Voordat de burgers de schuld krijgen, zou de overheid zelf een hoop kunnen doen, vinden ze. Een van de adviezen is al klaar, het advies van de RMO van Adriaansens. En de titel van dat beknopte advies laat weinig ruimte voor misverstand: ,,Geen woorden maar daden''.

Natie in verval

Niet dat de geleerde adviseurs het probleem ontkennen. De tijd dat elke burger die zich beklaagde over de criminaliteit het advies kreeg ,,een ander ochtendblad'' te gaan lezen is voorbij. Al neemt de criminaliteit de laatste tien jaar niet toe, zij is sinds de jaren '60 zeer sterk gestegen en bevindt zich sinds 1990 op een stabiel, maar hoog niveau. Sociologen en criminologen zijn het daarover eens. Paul Schnabel: ,,Het is goed dat het nu erkend wordt, en dat de mensen die al jaren klaagden over de last die ze van criminaliteit hadden, zoals winkeliers, eindelijk eens serieus worden genomen.''

De politie registreerde in 2001 ruim 1,3 miljoen misdrijven, en dat waren er tien keer zoveel als in 1960. Nu is er op politiestatistieken veel aan te merken, maar dat die cijfers inderdaad betekenen dat de criminaliteit sinds die tijd fors is toegenomen wordt door niemand meer betwist. Dat blijkt ook uit een ander meetinstrument: de slachtofferenquêtes. Die gaan niet uit van de politiestatistiek, maar van de ondervraging van burgers: ,,Bent u het afgelopen jaar slachtoffer van een misdrijf geweest?'' Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie (WODC) becijfert op basis van de enquêtes dat er in 1980 ruim 3,5 miljoen delicten tegen burgers werden gepleegd en in 2001 ruim 4,6 miljoen. Uit deze cijfers blijkt meteen hoe moeilijk het meten van de criminaliteit is: de politie registreert 1,3 miljoen misdrijven, de burgers rapporteren er 4,6 miljoen. Dat komt doordat veel mensen geen aangifte doen. Omdat ze het niet de moeite waard vinden, of omdat ze het niet durven. Als je door je man in elkaar wordt geslagen, moet je heel wat overwinnen om naar het politiebureau te lopen en als je derde fiets van het jaar is gestolen, geloof je het verder wel. Politiestatistieken en slachtofferenquêtes zijn het op één punt met elkaar eens: de misdaad heeft zich sinds 1990 ongeveer gestabiliseerd. Uit de cijfers blijkt een afname van de vermogensdelicten (vooral diefstal) en een lichte stijging van de geweldscriminaliteit in de afgelopen tien jaar.

Ruim tien jaar criminaliteit op een stabiel niveau betekende dat één ding groeide: de verontwaardiging. Elke burger was wel een keer slachtoffer van een delict, of kende iemand uit zijn directe omgeving. De bekende uitingen van `zinloos geweld' van de afgelopen jaren waren voor de meeste mensen de bewijzen dat er iets ernstig mis was met de Nederlandse samenleving. Pim Fortuyn maakte een andere steen des aanstoots bespreekbaar: het gedonder met groepjes etnische jongeren en de leefbaarheid in bepaalde oude wijken. Daar kwam dan de verloedering van de openbare ruimte en de agressie in het openbaar vervoer nog bij en het beeld was getekend: een natie in verval en een overheid die het erbij laat zitten. Volgens het SCP vindt 68 procent van de Nederlanders dat de overheid te weinig doet aan de bestrijding van criminaliteit en 91 procent dat misdaden te licht worden bestraft.

Is er soms iets mis met de Nederlandse normen en waarden? Wie op zoek gaat naar verklaringen van de toenemende criminaliteit zal van gedragswetenschappers niet gauw horen dat daarin iets ingrijpends is veranderd. Henk van de Bunt, hoogleraar criminologie aan de Erasmus Universiteit: ,,De mensen zijn toch wel behoorlijk hetzelfde, ze zijn niet zo veranderd. De meeste mensen brengen een portemonnee die ze vinden nog steeds naar gevonden voorwerpen. Er wordt ook nog steeds heel veel voor goede doelen gegeven.'' Het gaat volgens Van de Bunt om andere dingen. ,,Onze toegenomen welvaart bijvoorbeeld. Zodra er meer auto's komen, nemen de autokraken toe. Dat zijn ontwikkelingen die je overal ziet, en die overal gepaard gaan met een stijging van de criminaliteitscijfers. We hebben heel lang een lage criminaliteit gehad, maar nu is die ongeveer op hetzelfde peil als in België of Duitsland.'' Uit een recent WODC-rapport (Criminaliteit en rechtshandhaving 2000) blijkt dat Nederland op het gebied van criminaliteit ongeveer het algemene Europese beeld vertoont. Het niveau van de criminaliteit en de recente lichte stijging in de geweldscriminaliteit in Nederland zijn niet uitzonderlijk.

Ook Schuyt legt een verband met de toegenomen welvaart: ,,Waar meer te halen valt, wordt meer gestolen. En verder, vroeger werd er ook gevochten, op de kermis, na cafébezoek. Maar het verschil is dat het toen meestal met de blote vuisten gebeurde. Tegenwoordig zitten in die vuisten slag- en steekwapens. De gevolgen zijn veel ernstiger, en de vechtpartijen komen daardoor terecht in een gebied waar ze vroeger niet in doordrongen: de misdaadstatistieken. Er is te weinig aandacht voor de geweldmiddelen, voor de manieren waarop geweld plaatsvindt.''

De toename van de welvaart ging gepaard met een afname van de sociale controle – een tweede reden voor de toename van criminaliteit. Het ligt ook wel voor de hand. ,,Als er meer mensen gaan werken, neemt de sociale controle af'', zegt van de Bunt. ,,En nu er ook zoveel vrouwen zijn gaan werken, zijn hele buurten overdag uitgestorven.'' De openbare ruimte werd aan zijn lot overgelaten, ook door de overheid. ,,De openbare ruimte is onveiliger geworden'', zegt Schnabel. ,,Een oud dametje met handtasje dat uit de opera komt en naar het metrostation loopt voelt zich niet safe, en gelijk heeft ze. Het is eigenlijk overal hetzelfde: gebrek aan toezicht, gebrek aan controle, gebrek aan onderhoud. Als de boel niet wordt onderhouden, als er geen controleurs rondlopen, dan wordt het steeds erger.'' En dat is de schuld van de overheid? ,,Als de overheid het niet doet, moeten de burgers dan optreden? Die kijken wel uit. Die hebben inmiddels hun lesje geleerd.''

Hans Adriaansens van de RMO staat ook niet klaar om een gele kaart aan de burgerij uit te reiken. ,,Iedereen wil een civil society, een samenleving waarin de burgers zich fatsoenlijk gedragen. Maar hoe krijg je die? Logisch gesproken kun je twee kanten uit. Je kunt tegen de mensen zeggen dat ze zich civil moeten gedragen, maar dat is zoiets als bidden om mooi weer. Je kunt ook streven naar een samenleving waarin je niet veel anders dan civil kunt zijn. Maar dan moet je wel flink wat veranderen.'' Voor Adriaansens is de sleutel tot het normen-en-waardendebat het individueel verantwoordelijkheidsbesef van de burger. De overheid miskent dat nog steeds, volgens hem, want ze spreekt de burgers niet als individuen aan maar als vertegenwoordigers van een collectief. Dat leidt tot anonimiteit, tot onverschilligheid. Het is een boodschap die Adriaansens, in het dagelijks leven dean van het University College in Utrecht, Nederlands eerste elite-universiteit, bij herhaling verkondigt. De overheid heeft volgens hem te weinig oog voor herkenbaarheid, voor de behoefte van mensen ,,er toe te doen'' en als individu te worden aangesproken. Dan kun je volgens Adriaansens ook niet verwachten dat ze hun individuele verantwoordelijkheid nemen. Je kunt wel roepen dat de burgers zich aan waarden en normen moeten houden, staat in het RMO-rapport, maar heeft de overheid er wel eens aan gedacht dat ze misschien zelf wel ,,de grootste veranwoordelijkheidsvervuiler'' is?

Mobiele telefoons

Is het allemaal de schuld van de overheid? Is er dan niets in de mensen zelf veranderd? ,,Nou ja'', zegt Schnabel, ,,er zijn mensen bij wie de emancipatie van het gevoel te ver is doorgeschoten. In de jaren '50 kon er wat dat betreft te weinig, er was weinig ruimte voor het individuele gevoelsleven. Mensen die voor herstel van normen en waarden pleiten vergeten wel eens dat het leven in die tijd nu niet bepaald ontspannen was. Het is goed dat daar verandering in is gekomen. Maar het kan ook te ver gaan. Mensen die te veel ruimte voor zich opeisen, en zich gekrenkt voelen als ze ook maar iets moeten inleveren. Je krijgt dan het recht van de sterkste en de brutaalste.''

En de buitenlanders? Het aandeel van sommige groepen jonge allochtonen in de criminaliteit staat niet meer ter discussie. Dat is, zoals uit de cijfers van het WODC blijkt, gewoon hoog. In 1998 waren drie van de tien aangehouden verdachten in het buitenland geboren. Daar komt nog het aandeel van de in Nederland geboren allochtonen bij – van de tweede en derde generatie, maar dat valt niet te achterhalen, want ze hebben vaak de Nederlandse nationaliteit. Ook uit andere gegevens blijkt de allochtone oververtegenwoordiging. De Rotterdamse politie meldde vorig jaar dat van de 250 opgepakte straatrovers ruim 45 procent van Antilliaanse en 38 procent van Marokkaanse herkomst was. Straatroof van sieraden, geld en mobiele telefoons is in die stad voor 99 procent een zaak van jonge allochtonen. Een flink deel van de toegenomen criminaliteit kan dus op rekening worden geschreven van de aanpassingsproblemen van een allochtone onderklasse. Jonge mensen die de ontspannen en informele Nederlandse cultuur verkeerd interpreteren en de vriendelijkheid van leraren en agenten als een teken van zwakte zien.

Ten minste zo interessant als de vraag naar de oorzaak van de toegenomen criminaliteit en het onfatsoen is de vraag wat er aan te doen valt. Een hele serie antwoorden op die vraag valt samen te brengen onder het hoofdje repressie: preventief fouilleren, strenger straffen, meer cellen. Het zijn antwoorden die ook in verkiezingstijd veel gehoord worden, maar de wetenschappers trekken een sceptisch gezicht. Van de Bunt: ,,Uiteindelijk moet je het daar niet van hebben. De meeste mensen gedragen zich zoals het hoort zonder dat er een politieman naast ze staat. Als de mensen zo amoreel zouden zijn dat ze zich door de pakkans en de sancties lieten leiden, zou het hier natuurlijk een puinhoop zijn.''

Toch is er op dit punt wel wat te verbeteren. De celcapaciteit is inmiddels aardig op orde. In geen enkel ander EU-land is de afgelopen jaren het aantal gedetineerden zo sterk toegenomen als Nederland: van 46 gedetineerden per 100.000 inwoners in 1990 naar 84 in 1999. België ging in dezelfde periode van 66 naar 80, Duitsland van 81 naar 97, het Verenigd Koninkrijk van 91 naar 122. In de Verenigde Staten zijn de getallen van een geheel andere orde: van 460 per 100.000 inwoners in 1990 naar 682 in 1999.

Droeviger is het gesteld met de politie. Terwijl Nederland in Europa een middenpositie inneemt wat betreft de uitgaven voor rechtshandhaving, is die inspanning niet terug te vinden in de inzet van personeel. Het zijn onthullende cijfers, daar op pagina 76 van de vorig jaar verschenen SCP-uitgave Memorandum quartaire sector. In 1998 zette Nederland 1,2 procent van zijn bruto binnenlands product (bbp) in voor rechtshandhaving, en dat resulteerde in 254 politieagenten per 100.000 inwoners – internationaal een laag getal.

Frankrijk besteedt slechts 0,8 procent van het bbp aan rechtshandhaving, maar brengt 403 agenten per 100.000 inwoners op de been. Ook Duitsland geeft procentueel gezien minder uit voor rechtshandhaving en daar zijn het 302 agenten. De conclusie van het SCP: blijkbaar gaat in Nederland een groot deel van de uitgaven naar niet-personele middelen. Wat die middelen ook mogen zijn – computers, auto's, communicatieapparatuur – veel vrucht werpen ze niet af. Terwijl de geregistreerde misdaad sinds 1960 vertienvoudigde, worden nu drie keer zoveel misdrijven opgelost. Procentueel gezien dus een achteruitgang, en – nog omineuzer – sinds 1990 worden zelfs in absolute zin minder misdrijven opgehelderd. Het aantal opgeloste zaken verminderde, terwijl de criminaliteit de afgelopen tien jaar ongeveer constant bleef en het aantal politieagenten steeg – een schrijnende paradox.

Wat daarbij ongetwijfeld een rol speelt is dat politieagenten maar een gering deel van hun werktijd besteden aan opsporing: volgens het SCP ongeveer 7,5 procent. Dat is per agent niet eens een halve dag per week. In de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, die in veel opzichten met Nederland vergelijkbaar is, is de inzet van de agenten heel wat effectiever: meer dan drie keer zoveel misdaden worden daar opgehelderd, zo bleek vorig jaar uit onderzoek van de Universiteit van Nijmegen.

Heel veel zaken worden tegenwoordig ook niet eens in behandeling genomen. Een groot deel omdat er te weinig aanknopingspunten zijn, maar volgens schattingen van het ministerie van Justitie zelf zijn er per jaar zo'n 80.000 zaken die wel aanknopingspunten bieden, maar waarin toch geen actie wordt ondernomen.

Schuyt vindt dat een ernstige zaak. ,,Essentieel voor een rechtsstaat is de inperking van willekeur. De politie hoort zoveel mogelijk te vervolgen, niet de helft. Dat is een heel slecht signaal. We kennen in Nederland het opportuniteitsbeginsel: in sommige gevallen kun je in het algemeen belang afzien van vervolging. Maar dat beginsel is niet bedoeld om capaciteitsproblemen op te lossen.''

Schnabel is het geheel met hem eens. ,,Burgers mogen niet wegkomen bij een overtreding. De pakkans moet hoger. En de afhandeling moet sneller. Als een jong crimineeltje een jaar na het vergrijp aan zijn taakstraf moet beginnen, heeft dat nauwelijks nog effect.''

Wijkagent

De moraal is duidelijk: aan het justitiële apparaat valt heel wat verbeteren. Maar dan ben je er nog niet. ,,Justitie staat helemaal aan het eind van de lijn'', zegt Van de Bunt. ,,Die komt pas in actie als het kwaad al is geschied. Als je de misdaad wil terugdringen, moet je aan andere dingen denken. Ten eerste aan preventie. Voortdurend spijbelen en pesten zijn bijvoorbeeld goede voorspellers van probleemgedrag. Gezinsondersteuning, spijbelprojecten – het is allemaal buitengewoon nuttig, net als andere manieren om vroegtijdig problemen te signaleren, thuis, in de wijken, op school. En ten tweede: je moet naar een strafrechtsysteem dat niet geïsoleerd zijn werk doet, maar waarbij de bevolking betrokken is. Het gaat om de maatschappelijke inbedding, je moet investeren in contacten met de samenleving. Een huisarts die een vrouw op zijn spreekuur krijgt die voor de zesde keer van de trap is gevallen, moet lont ruiken. Dat geldt ook voor de mensen die fietsen en cd's kopen die duidelijk te goedkoop zijn. En de georganiseerde misdaad kan zijn geld alleen maar kwijt, omdat hun zakenpartners en de banken geen lastige vragen stellen. Veel van het kwaad kan alleen maar bestaan bij de gratie van de dubbelhartigheid van de bevolking. Daar zou ik mijn pijlen op richten als ik de overheid was.''

Schnabel brengt een ander accent aan. ,,De lagere gezagsdragers – onderwijzers, agenten, conducteurs – staan onder druk en krijgen te weinig steun van het hogere gezag, terwijl ze dat toch vertegenwoordigen. Ze komen vaak in de kou te staan, ze worden onvoldoende gesteund door hun superieuren als ze in aanvaring komen met de burgerij. Je komt in een vicieuze cirkel, want je slaagt er dan ook niet meer in de goede mensen voor die functies te krijgen.''

Schuyt legt de nadruk op informele controle in de verhoudingen tussen kinderen en ouders, leraren en leerlingen, politieagent en jeugd. Als die goed verlopen, heb je heel veel gewonnen. ,,Heb belangstelling voor kinderen, kijk iemand aan als je met hem spreekt, zorg voor werk met een persoonlijke noot. Een wijkagent die een praatje maakt – dat is een goed voorbeeld. Je hebt dan een combinatie van formeel en informeel gezag, en dat versterkt elkaar. Het is een subtiel spel, en daarin moet je worden opgevoed. Het beleid is gebaseerd op preventie en repressie, maar de interacties op straat, de feitelijke contacten – daar doet niemand wat aan.''

Kleinere scholen, dat vindt Schuyt ook heel belangrijk. ,,Een eenvoudig rekenvoorbeeld. Je kunt op een school een bepaald aantal activiteiten organiseren, zeg vijftien. Daaraan kunnen ongeveer 150 leerlingen deelnemen. Op een school van 300 leerlingen is dan de helft onderdak, op een school van 3.000 is dat maar 5 procent. Dat heeft allerlei consequenties: op de grote school kunnen bijvoorbeeld alleen de allerbesten meedoen, en worden de minder goeden bevestigd in hun gevoel van inferioriteit.''

Er toe doen, dat is ook voor Adriaansens de sleutel. ,,Probeer binnen grote complexen in de zorg of het onderwijs toch kleine, herkenbare eenheden op te zetten. Geef de mensen in het onderwijs, de zorg en de lagere overheden verantwoordelijkheid en zelfstandigheid, overvoer ze niet met outputmetingen en protocollen. En ten derde: houd eens op met die politiek van afgedwongen gelijkheid, erken dat er verschillen zijn en laat mensen de mogelijkheid zich te ontwikkelen binnen een eigen groep en een herkenbare omgeving.''

Dus berusten in de zwarte scholen? Adriaansens: ,,Daar is veel onterechte paniek over. Misschien is een zwarte school soms helemaal niet zo gek. De leerlingen hebben een gelijke startpositie, ze kunnen zich gemakkelijker identificeren met de school, ze kunnen een zekere trots ontwikkelen. Natuurlijk moet dat uiteindelijk niet tot apartheid leiden, de verschillende groepen moeten uiteindelijk wel met elkaar in contact komen. Maar een zwarte school maakt het misschien mogelijk dat de leerlingen zelfbewuster en beter toegerust de publieke ruimte betreden.

,,Doe eens wat aan deze dingen, zou ik tegen de overheid willen zeggen. Schaal, sturing en samenhang, dat zijn voor mij de kernbegrippen. Doe daar wat aan, breng die in overeenstemming met de behoefte van burgers aan herkenbaarheid; dat is de meest praktische manier om met normen en waarden om te gaan.''

    • Warna Oosterbaan