Beelden van winters verlangen naar de lente

De tentoonstellingstitel is verleidelijk – alleen al om de associatie met de optimistische Vivaldi. Hij geeft de burger moed, want in zijn winter nadert rap het voorjaar, als er weer gebloeid en gestoeid wordt, als `al wat pluymen draecht begint te tierelieren', om Jacob Cats te citeren.

Het Noordbrabants Museum heeft samen met een Leuvens museum eens uitgezocht hoe kunstenaars hier tussen 1500 en 1750 de vier jaargetijden hebben verbeeld. Eeuwen waarin het winterse verlangen naar de lente – gezien het gebrek aan voedsel, veiligheid en verwarming – extatische proporties moet hebben aangenomen. En dan denk je bij zo'n thema-tentoonstelling aan de ijspret van Avercamp of Rembrandts Flora. Maar uit het rijk geïllustreerde boek dat bij het begin van de zalen ter inzage ligt, blijkt dat men zich er niet even associatief vanaf gemaakt heeft. Het is een grondig naslagwerk, dat begint met de drie Horen, de dames die in het archaïsche Griekenland de jaargetijden – de herfst was er nog niet – symboliseerden, en dat dan via de Romeinse codexkalender (354 na Chr.) en de middeleeuwse kalenderminiaturen en -prenten, aanbeland bij de meer vertrouwde allegorische én realistische gravures, die vanaf de 16de eeuw goden, boeren en burgers opvoerden in hemelse eeuwigheid en aardse seizoenen.

Eenmaal op de tentoonstelling kan men de boekenwijsheid over de Romeinse festiviteiten als basis van onze kalender weer rustig vergeten. En vergeet ook de complexe relatie die de middeleeuwer met kosmos, tijd en aarde onderhield. Want die wordt al duidelijk bij het eerste object dat men onder ogen krijgt. Een uitzonderlijk grote, Leuvense uur-en kalenderwijzerplaat uit circa 1500, chirurgisch geschilderd, waarop het in zes concentrische cirkels wemelt van de alledaagse tafereeltjes, van dierenriemtekens en planetengoden. En dat alles is afgezoomd met 365 vakjes voor alle dagen van het jaar.

Met dit spectaculaire monnikenwerk kunnen de 150 prenten, objecten en schilderijen, die in vier aparte museumzalen elk jaargetijde illustreren, nauwelijks wedijveren. Soms kom je in de zomer- en winterzaal dezelfde kunstenaars tegen – ze namen alle seizoenen onder handen –, zoals Jan van de Velde de Jonge (1593-1641) die in zijn landschapsprenten de `skyline' van Abcoude of de Krimpenerwaard verwerkte. Of de Antwerpse fijnschilder Abel Grimmer (1570-1618), wiens lieflijke panoramaatjes van stad en land en buitenlui duidelijk geënt zijn op Pieter Bruegel de Oude en op laatmiddeleeuwse miniaturen.

Steeds weer keert op de schilderijen, prenten en tekeningen de traditionele landarbeid terug die toen onlosmakelijk in leven en kunst met de seizoenen was verbonden, zoals de koren- en hooioogst in juli en augustus, de appelpluk en de jacht in september, de druivenoogst in oktober, de slacht in november etc. Hartje winter verveelde men zich te pletter, vertelt een prent van Grimmers stadgenoot Peeter Clouet (1629-1670). Terwijl er een pak sneeuw neerdwarrelt, zit de boerenfamilie tussen het vee onder een bouwvallig afdak te koukleumen.

In vitrines liggen de uit zilver gedreven schalen uitgestald, gebedenboeken met miniaturen en geïllustreerde almanakken, die als een soort Succes-agenda de burger greep gaven op de tijd en die de wereld bij hem in huis brachten, compleet met maan-, zon en waterstanden, bijbelverhalen, politieke meningen, gezondheidsadviezen. Liever toch kijk je naar de miniaturen, waarop huishoudelijk gedoe gaaf op één blad is gecombineerd met een feestdagenkalendertje.

De tentoonstelling bestaat onvermijdelijk voor een flink deel uit fijnmazige, razendknap gegraveerde zwart-wit prenten, waar de liefhebber zijn hart aan kan ophalen, maar waar je het nu niet meer echt koud of warm van krijgt. Wél is goed te volgen hoe die gravures vanaf de 17de eeuw, met de opkomst van een burgerij, gaandeweg veranderden van een gekunsteld zoekplaatje met attributen, allegorieën en latijnse teksten – zie ook een Blaeu-atlas, een kolossaal wandtapijt en een zoet schilderij van de Utrechtenaar Gerard van Honthorst (1596-1656) – in `gewone' landschapjes, waarbij het vermaak best ten koste mocht gaan van `de lering'. Lente of herfst: het maakte niet zoveel uit, als het maar er mooi, vermakelijk en herkenbaar uitzag.

En van die nuchtere, Hollandse kijk kom je nog een paar andere staaltjes tegen, zoals de ingekleurde tekening die de Amsterdammer Pieter van den Berge (1659-1737) maakte vanaf een drukbevolkt en dichtgevroren IJ, vol ijspret, arrensleeën en driemasters. Of een getekende 1-april-grap van Cornelis Troost (1696-1750), die een dame staand tegen een Amsterdamse grachtenboom liet plassen, terwijl ze niet merkte dat een rotjochie hetzelfde in haar boodschappenmand stond te doen. Maar dan zijn we inmiddels wel erg ver afgedwaald van Vivaldi en van de sterren en de goden, die – lees dat boek – aan onze kalender ten grondslag liggen.

Tentoonstelling: De vier jaargetijden in de kunst van de Nederlanden 1500-1750. T/m 21/4 in Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41, 's Hertogenbosch. Open: di.t/m vr. 10-17 uur, za. en zo. 12-17 uur. Boek: Waanders, 248 blz., geïll., €24,50.