Vliegen naar vroeger

In een serie over vertaalde boeken van klassieke schrijvers deze week `Gedichten' van Vladimir Nabokov (vertaald uit het Russisch door Anne Stoffel, met een nawoord van Kees Verheul. Hoogland en van Klaveren, 96 blz. euro 19,50)

In 1916 – hij was toen zeventien jaar oud – publiceerde Vladimir Nabokov op eigen kosten (dankzij een erfenis van een oom) een boekje met achtenzestig gedichten, de vrucht van een jaar verliefdheid, in een oplage van vijfhonderd exemplaren. Het bracht Nabokov niet de roem waar hij zo naar smachtte. Integendeel, zijn leraar Russisch op het gymnasium nam een exemplaar mee naar school en deed de klas dubbelliggen met zijn sarcastische opmerkingen over Vladimirs romantische ontboezemingen, terwijl ook de officiële kritiek de jeugdige dichter elk talent ontzegde.

Nabokov liet zich niet ontmoedigen, eind 1917 – de bolsjewieken waren al enige tijd aan hun opmars bezig – vervaardigde hij tezamen met een klasgenoot een tweede bundel, die begin 1918 wonderbaarlijk genoeg nog verscheen. Op dit werkstuk zijn geen reacties bekend, de Russische revolutie had toen al plaats gehad en de Nabokovs waren naar de Krim uitgeweken. Het zijn de enige twee publicaties die tijdens zijn leven in Rusland zijn verschenen.

Hoewel Nabokovs roem bijna uitsluitend berust op zijn romans en verhalen, is hij altijd blijven dichten. Aan het eind van zijn leven heeft hij een selectie uit zijn poëtische oeuvre bijeengebracht in een tweetalige bundel, Poems and Problems, die kort na zijn dood is gevolgd door een Russischtalige uitgave van zijn verzamelde gedichten. Sindsdien heeft hij althans in Rusland de reputatie van een interessante minor poet. Buiten Rusland is het met de bekendheid van zijn poëzie echter droef gesteld. De nu verschenen vertaling van een ruime keuze uit zijn gedichten, vijfentwintig jaar na zijn overlijden, is bij mijn weten de eerste in het Nederlandse taalgebied.

Liefdespoëzie heeft hij na het echec van zijn eersteling niet veel meer geschreven. Daarvoor in de plaats kwam een ander thema dat ook in zijn proza een belangrijke plaats inneemt, het verlies van zijn vaderland en daarmee het definitieve afscheid van zijn idyllische kindertijd.

In de laatste strofe van `Sneeuw' dat dateert uit 1930 heet het:

Als ik slapen ga

denk ik iedere keer:

misschien zal het je lukken

mij op te zoeken,

mijn warm geklede, krukkige

kindertijd.

De kindertijd is hier voor de dichter een persoon geworden die door hem wordt toegesproken. En in het gedicht `De skisprong' uit 1926 stelt de dichter zich voor dat hij `geen bijna tachtig meter' zal springen, `maar iets als negenhonderd mijl.' De sprong wordt een lange vlucht aan het einde waarvan hij natuurlijk terechtkomt in zijn geboortestad.

Er wordt ook in andere gedichten heel wat af gevlogen. Nabokov is – althans in de hier vertaalde selectie – gefascineerd door vliegen. Zijn gedichten staan vol met niet alleen skisprongen maar ook met vlinders, engelen, serafijnen en wolken, kortom met van alles wat zich door de lucht verplaatst. Opmerkelijk hierbij is de bijna totale afwezigheid van vogels. Waarschijnlijk waren die de dichter niet ongrijpbaar genoeg.

In een naamloos gedicht uit 1924 staat de dichter uit het raam naar de maan te kijken en voelt het ineens over zich komen: hij vliegt! Maar Nabokov zou Nabokov niet zijn als de anticlimax niet om de hoek ligt:

maar dan hoor ik de geluiden doven

en een hand klopt zachtjes op mijn rug:

`vliegen is verboden', zegt vol ijver

een passant, `was dat u soms ontgaan?'

Nabokovs verlangen naar vliegen is een symbool van het verlangen naar onbereikbare werelden: de maan, de hemel, het voorgoed voorbije verleden, zijn kindertijd, Rusland. Of het hiernamaals, het toppunt van onbereikbaarheid en onomkeerbaarheid. En na elke mislukte poging keert de dichter weer naar de aarde terug. Welgemoed, want voor al te grote tragiek is er in Nabokovs poëzie geen plaats. Wel voor de chronische, knagende pijn van een onherstelbaar gemis.

Nabokov is als dichter bepaald geen vernieuwer, niet van de vorm – hij houdt zich meestal keurig aan rijm en metrum – en ook niet van inhoud. Opvallend voor wie zijn proza kent, is de eenvoud van zijn taal. In de gedichten niets van de woordspeligheid die zijn proza soms tot zulke vermoeiende lectuur maakt. `Mijn verzen blinken van het vele schuren' heet het in een gedicht met de titel `Aan de muze', en inderdaad, Nabokovs poëzie lijkt wat je noemt vaak geciseleerd. Dat hij nergens levenloos wordt, is te danken aan het mengsel van emotie en ironie, van betrokkenheid en afstandelijkheid waarvan al zijn gedichten zijn doortrokken. En natuurlijk aan de buitengewoon geslaagde vertaling van Anne Stoffel. De vertaalster heeft in het Nederlands dezelfde soepelheid en bijna proza-achtige natuurlijkheid weten te bereiken als Nabokov in het Russisch, en een bijna even grote mate van taalkundige oorspronkelijkheid met originele rijmen als `mastodonten / in de rondte' die je in vertalingen maar weinig ziet. De Nederlandse uitgave wordt gecompleteerd door een informatief nawoord van Kees Verheul.

Nabokov is – om helemaal eerlijk te zijn – geen heel erg groot dichter. Hij heeft lang niet het formaat van Majakovski, Mandelstam of Brodsky. Wie dit deel Gedichten doorleest, kan het alleen maar eens zijn met de status die de Russen hem hebben toegekend: een minor poet. Maar wel een hele leuke. Iedere Nabokov- of poëzieliefhebber zal er genoeglijke uren aan kunnen beleven.

    • Arthur Langeveld