Premierskandidaten

Natuurlijk moet Wouter Bos zelf premier worden als hij de verkiezingen wint. Dat is een winnaar aan zijn kiezers verplicht. Het is waar dat er formeel voor de Tweede Kamer wordt gekozen, maar uiteindelijk kiezen de kiezers toch vooral voor iemand die de ambitie heeft het land te regeren. Wij kunnen er niets aan doen als het voor Wouter allemaal te snel gaat. Dan had hij zich maar niet als lijsttrekker verkiesbaar moeten stellen.

Bovendien is er nog een zwaarwegende reden waarom Wouter Bos het premierschap op zich moeten nemen: de PvdA heeft helemaal geen andere geschikte kandidaten. Johan Stekelenburg, burgemeester van de lelijkste stad van Nederland, is geen aantrekkelijke kandidaat. Hij torst inmiddels een duidelijk zichtbare pens met zich mee, waardoor hij zo'n ouderwetse vertegenwoordiger van het biefstuksocialisme is geworden. Daar gaat de succesvolle vakbondsman in z'n dikke auto op weg naar de volgende vergadering. In Duitsland heb je er veel van, maar voor mij hoeft het niet.

Bovendien is ook Job Cohen ongeschikt als premier. Er wordt over zijn burgemeesterschap hoog opgegeven, maar als Amsterdammer moet het mij van het hart dat ik nog nooit zo'n fletse burgemeester heb meegemaakt. Regelmatig wordt hij geïnterviewd op de lokale zender, maar nog nooit heb ik hem iets pregnants horen zeggen, behalve dan dat het zijn ambitie is ,,om de boel bij elkaar te houden''. Meestal zegt hij iets goedwillends dat iedereen graag wil horen en wordt hij toch uitgedaagd, dan bezit hij de gave techniek om weg te zeilen, zoals hij ook deed toen hem op de man af werd gevraagd of hij premier wilde worden. Het kan zijn dat hij een boeiende man is, maar dat weet hij dan knap verborgen te houden.

Om mijn mening nog eens te toetsen las ik de Cleveringa-lezing die Cohen onlangs heeft gehouden. Bij deze lezing, die over integratie gaat, viel mij bijna onmiddellijk een parafrase van W.F. Hermans te binnen: nergens vind je zo veel interessante ideeën die niet van Job Cohen zijn als in deze lezing van Job Cohen. Er wordt rijkelijk geciteerd, wat altijd erg deftig staat, maar in het begin is de spreker toch even persoonlijk. Zo vertelt hij dat, toen Cleveringa in november 1940 zijn moedige lezing hield tegen het ontslag van joodse ambtenaren, een jonge joodse vrouw onder het gehoor verzuchtte: ,,Ik hoor erbij!'' Die joodse vrouw zou later Job Cohens moeder worden. Vervolgens legt Cohen een verband tussen de uitspraak van zijn moeder en het huidige integratievraagstuk, dat, als ik hem goed begrijp, vooral voortkomt uit de geringe inspanning om allochtonen erbij te laten horen.

Dat klinkt erg betrokken, maar de verschillen tussen 1940 en de huidige situatie zijn zo in het oog springend dat die vergelijking eigenlijk nergens op slaat. Anders dan ten tijde van Cleveringa is er nu helemaal geen overheid die het voornemen heeft om `volksvreemde elementen' naar concentratiekampen te sturen om ze te laten vernietigen. Er is nu een bezorgde overheid die best wil helpen, maar die ook een zekere verantwoordelijkheid draagt voor het geluk van de eigen onderdanen.

En dan is er nog een zeer belangrijk verschil. De joden in Nederland hebben zich altijd Nederlander gevoeld, ook al ver voor de oorlog. Hun streven was sterk op assimilatie gericht, zij wilden er juist bij horen. Het verlangen om naar Israël te gaan speelde onder Nederlandse joden maar een beperkte rol. Daarentegen lijkt de behoefte om te vernederlandsen bij een groot aantal van de huidige allochtonen nauwelijks aanwezig. Ze leren de taal niet, laten vrouwen overkomen en houden er democratie-bedreigende denkbeelden op na. Wij smeken ze erbij te horen, maar ze willen niet. Natuurlijk zijn er allerlei verzachtende omstandigheden, maar het stuit mij tegen de borst wanneer Cohen een woord als Fremdkörper gebruikt als het over integratie gaat.

Wouter, wees een man en doe het zelf.

    • Max Pam