Morele normen op de pijnbank

In de strijd tegen het terrorisme lijkt niet langer plaats voor het taboe op martelen. Veiligheid eerst, is het argument in de VS.

Stel, je rekent een verdachte terrorist in van wie je vermoedt dat hij of zij een aanslag heeft voorbereid, mag je dan die verdachte martelen om een mogelijke catastrofe te voorkomen? In de meeste democratieën zal volmondig `nee' worden geantwoord. Martelen is moreel onjuist en daarom verboden.

Toch staat dat principe al anderhalf jaar op de helling in de Verenigde Staten. Sinds de aanslagen van 11 september is sprake van een moralistische kentering: martelen is niet alleen bespreekbaar, het gebeurt ook gewoon volgens verschillende Amerikaanse bronnen.

Cofer Black, ex-hoofd van het Anti-terrorisme centrum van de CIA, sprak vorig jaar op een hoorzitting van de inlichtingencommissie van het Congres zelfs van een waterscheiding. ,,Je kunt spreken van een periode vóór 11 september en een periode ná 11 september'', zei hij. ,,Na 11 september is de handschoen uitgedaan.''

Niet lang na de aanslagen werd in de Amerikaanse media voor het eerst melding gemaakt van martelen. Agenten van de federale recherche (FBI), ogenschijnlijk moe en gefrustreerd door de overuren die ze na de aanslagen hadden gemaakt, bekenden tegenover de pers dat er binnen de dienst grote behoefte bestond aan toepassing van hardere ondervragingstechnieken, zoals fysieke druk. Er waren binnen korte tijd 150 belangrijke verdachten opgepakt, maar weinigen van hen hadden bruikbare informatie losgelaten. ,,We zijn nu al 35 dagen bezig en niemand praat'', aldus een hoge FBI-funtionaris in The Wall Street Journal. ,,Dat is zeer frustrerend.'' De dienst was inmiddels het punt nabij om met harde hand te werk te gaan: ,,We hebben geen andere keuze.''

Die stelling werd al snel overgenomen door commentatoren in uiteenlopende Amerikaanse publicaties, zoals Newsweek (`Time to think about torture'), Atlantic Monthly (`The bill to combat terrorism doesn't go far enough') en The Wall Street Journal (`Security comes before liberty'). In al die stukken waren de auteurs het op een punt roerend met elkaar eens: sinds de aanslagen is de wereldorde dusdanig veranderd en onveilig geworden dat oude technieken moeten worden heroverwogen. ,,We kunnen martelen niet legaliseren'', schreef Jonathan Alter in november 2001 in Newsweek. ,,Dat strookt niet met de Amerikaanse waarden. Maar ook al verzetten wij ons tegen schendingen van de rechten van de mens in de wereld, toch dienen we bij de bestrijding van terreur flexibel om te gaan met bepaalde manieren van aanpak.''

Eind vorige maand kwam The Washington Post met een lang artikel waaruit blijkt dat de VS al ruimschoots gebruik maken van die zich toegeëigende flexibiliteit. Openlijk steunt niemand martelpratijken – verboden in de VS – maar anoniem spraken rechercheurs van de CIA en tien nationale veiligheidsfunctionarissen desgevraagd hun steun uit voor de toepassing van geweld bij de ondervraging van vermeende terroristen. De functionarissen gaven toe dat gevangenen op de vliegbasis Bagram, even buiten de Afghaanse hoofdstad Kabul, en op Diego Garcia, het Britse eiland in de Indische Oceaan dat de VS hebben geleased, regelmatig worden blootgesteld aan ,,pressie en dwang''.

Buiten het bereik van het Amerikaanse rechtsstelsel en weg van de camera's van de media worden de verdachte buitenlanders opzettelijk van hun slaap beroofd, geblinddoekt, gedwongen tot het aannemen van benarde posities, hun worden pijnbestrijders onthouden en in sommige gevallen worden ze geslagen, stelde The Post. ,,Als je niet af en toe iemands mensenrechten schendt, doe je je werk waarschijnlijk niet goed'', zei een CIA-agent die de directe verantwoordelijkheid heeft gehad over ondervraging van van terreur beschuldigde gevangenen.

In bepaalde gevallen heeft de CIA de ondervraging uitbesteed aan inlichtingendiensten in andere landen, met name die in Egypte, Jordanië, Syrië, Pakistan en Marokko. Volgens de aangehaalde CIA-functionarissen zouden zeker honderd verdachten op die manier zijn uitgeleverd aan derden. Talrijke anderen (volgens Washington zijn sinds 11 september 2001 wereldwijd bijna drieduizend aanhangers van Al-Qaeda opgepakt) zouden met medeweten en steun van de VS zijn ingerekend en ondervraagd door landen waarvan bekend is dat gevangenen onmenselijk worden behandeld. De Amerikaanse autoriteiten zouden zich bedienen van een don't ask, don't tell-beleid. Wat niet weet, dat niet deert, als er maar informatie komt.

Critici hebben geschokt gereageerd op de bevindingen van The Washington Post, ook al heeft het Witte Huis de aantijgingen glashard ontkend. Mensenrechtenactivisten twijfelen niet aan het waarheidsgehalte van de getuigenissen in The Post. Kenneth Roth, directeur van de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch, heeft gezegd dat ,,martelen altijd is verboden, ongeacht de omstandigheden.'' Amerikaanse functionarissen die deelnemen aan martelen, er opdracht toe geven of een andere kant op kijken, zegt hij, kunnen overal ter wereld worden vervolgd. Bovendien, stelt Roth, zullen mensen alles toegeven wanneer ze worden gemarteld.

Het argument dat het terrorisme pas echt gewonnen heeft wanneer democratieën hun hard bevochten vrijheden opgeven, wijzen voorstanders van het oprekken van de bestaande normen van de hand als een linkse gemeenplaats. Alan Dershowitz, een vooraanstaande jurist van Harvard University die zich openlijk heeft uitgesproken voor een lichte vorm van martelen in uitzonderlijke gevallen, is ervan overtuigd dat de meeste Amerikanen zullen instemmen met fysieke druk wanneer daarmee gegarandeerde terreur kan worden voorkomen. ,,Wees bewust van de alternatieven'', schrijft Dershowitz in zijn boek `Shouting Fire: Civil Liberties in a Turbulent Age'. ,,Of de politie martelt uit het zicht van de radar of een rechter geeft een bevelschrift af. Wat strookt meer met democratische waarden?''