Lezen onder de bordeellamp

In zijn vandaag verschenen memoires heeft Gabriel García Márquez eerzame armoede solide gepaard aan romantische toewijding .

's Nachts las hij romans op dubieuze dansvloeren en na de betaalde liefde had hij ook nog genoeg lust voor de onbetaalde. In werkelijkheid waren zijn eerste 28 levensjaren helemaal niet zo sprookjesachtig, maar hoe erg is dat?

Ruim drie jaar geleden zag het er somber uit voor de toen tweeënzeventigjarige Gabriel García Márquez, Nobelprijswinnaar voor de literatuur 1982. Kanker had zijn lichaam aangetast en de vooruitzichten waren niet bemoedigend. Op het internet circuleerde een apocrief afscheidsgedicht dat de schrijver onder zijn vrienden zou hebben verspreid. Hij liet woedend weten daarmee niets van doen te hebben, hij was vooral beledigd – zei hij – vanwege de abominabele stijl. Op de krantenredacties lagen de necrologieën intussen al klaar.

Maar García Márquez ging niet dood. Na een tijd van gespannen en beschroomde stilte begonnen er geruchten te circuleren over een autobiografie die hij, als overlevende van zichzelf, aan het schrijven zou zijn. Twee jaar geleden doken de eerste voorpublicaties op. In de afgelopen herfst verscheen de Spaanse editie van het boek, in een oplage van ruim een miljoen. Vandaag ligt de Nederlandse vertaling ervan in de boekhandel, bijna zeshonderd bladzijden dik. Aan het eind ervan is García Márquez pas aangeland in 1955, het jaar waarin hij naar Europa vertrok.

Niets in het boek verwijst naar de strijd met de dood die de schrijver zojuist achter de rug had of het moest de vitalistische titel ervan zijn, zo overlopend van levenswil dat de grammatica er bijna onder bezwijkt. Die titel vat, misschien wat te beknopt, het motto samen dat García Márquez zijn levensbericht heeft meegegeven. `Het leven is niet het leven dat je hebt geleefd, maar dat je je herinnert en hoe je het je herinnert om het te vertellen.' Zelfs daarin strijdt de urgentie met de taalkundige correctheid, en in het Spaans is dat niet anders.

Het moet dan ook een mooi leven geweest zijn waarop García Márquez kan terugzien. In 1927 geboren in de Colombiaanse binnenlanden als oudste uit een gezin dat uiteindelijk vijftien kinderen zou tellen, gebrekkig geschoold als gevolg van regelmatige verhuizingen (hij zou zijn leven lang moeite houden met spellen), kwam hij uiteindelijk toch op de rechtenfaculteit terecht, maar vluchtte daar onmiddellijk weer vandaan om zich te wijden aan de journalistiek, `het mooiste beroep ter wereld'.

Daar liet het succes niet op zich wachten. Met columns en reportages, vooral het verhaal van een Colombiaanse marinier die tijdens een storm overboord was geslagen (later gepubliceerd onder de titel Het verhaal van een schipbreukeling), kreeg García Márquez de wind in de zeilen. Aan het eind van zijn memoires heeft hij zijn eerste korte romans gepubliceerd. Europa lonkt, net als het professionele schrijverschap, dat een toch nog een onverwacht harde leerschool zal vergen. Wanneer García Márquez in de slotregels van het boek op het vliegtuig stapt, weet hij nog niet hoe diep het dal zal zijn waar hij in Parijs doorheen zal moeten.

Ook dat behoort tot de attributen van het schrijverschap en García Márquez laat weinig gelegenheden onbenut om de journalistiek-artistieke bohème van zijn jeugdjaren te beklemtonen. Nooit lijkt hij méér dan twee stel kleren te bezitten: één aan het lijf en één aan de waslijn. Aan zijn voeten steekt een paar eeuwige sandalen. De snor blijft tot vlak voor zijn vertrek naar Europa woest ongeknipt en ongeborsteld boven een eeuwige sigaret. Hij rookt drie tot vier pakjes per dag, naast fikse hoeveelheden drank zijn enige luxe. Romans leest hij 's nachts onder het licht van de straatlantaarns of de lampions van dansvloeren met een dubieuze reputatie. Eerzame armoede, kortom, solide gepaard aan romantische toewijding – of toewijding aan de romantiek.

En er zijn de vrouwen, bij tien- en misschien wel honderdtallen. Zelden erg eerzaam en meestal zelfs uitgesproken oneerzaam, want García Márquez woont in die jaren zo ongeveer in de bordelen, waar hij met een jaar of twaalf in de liefde wordt ingewijd. Bedremmeld staat hij in de deur om in opdracht van zijn vader een openstaande rekening te innen voor de homeopathische pillen die deze aan de man bracht. Een van de meisjes wenkt hem en daagt hem uit haar broekje uit te trekken: `Dat is je mannenplicht.' De rest deed ze eigenhandig, schrijft García Márquez, `tot ik eenzaam boven haar doodging, rondspartelend in de uiensoep van haar merriedijen.'

Het werd de eerste keer van een onafgebroken reeks, zowel met de professionals als met de amateurs van de clandestiene liefde. Op de bladzijden trekt een lange stoet lustige Witwen voorbij – en nog méér schonen wier echtgenoten het aardse nog niet tegen het hemelse hebben ingewisseld maar daarin geen beletsel zien om in het eerste het tweede na te jagen. Dat dat ook omgekeerd kan uitpakken, ervaart García Márquez wanneer een van zijn bedgenoten zich een keer in de datum vergist en hij door de gehoornde echtgenoot tot een ronde Russische roulette wordt uitgedaagd. Hij komt er zonder kleerscheuren vanaf. De bedrogene wil zijn vader, die hem ooit van een hardnekkige syfilis heeft verlost, het verdriet van een dode zoon niet aandoen.

García Márquez had het van geen vreemde. Zijn grootvader was een berucht charmeur, al lijkt het woord `berucht' in de toenmalige verhoudingen niet helemaal op zijn plaats. Zijn talrijke veroveringen waren een onderwerp waarover in huiselijke kring niet gesproken werd, ook niet wanneer grootvader zich op een dag gedwongen ziet van reukwater te veranderen omdat de karakteristieke geur daarvan op een vreemd hoofdkussen is herkend. En wanneer `Gabito' later zelf ternauwernood aan de Russische roulette is ontsnapt, onderwerpt zijn moeder hem aan hetzelfde dieet van zware maaltijden als ze zijn vader voorzet, `in het bijgelovige idee,' schrijft hij, `dat haar man noch haar zonen de liefde zouden durven bedrijven als ze in katzwijm lagen door het eten.'

Maar tegelijk hoorde deze drukke erotische kruisbestuiving erbij, zonder dat daar veel drama's over werden gemaakt. De bastaardkinderen van grootvader worden tijdens een collectief bezoek gastvrij in huis opgenomen en het onwettige nageslacht van vader wordt zelfs moeiteloos in het huishouden geabsorbeerd. Schermutselingen met bedrogen echtgenoten zijn er, maar vrienden delen hun vriendinnetjes grootmoedig met elkaar en die laatsten lijken daar weinig bezwaar tegen te hebben gehad. Onwillekeurig voelt de Nederlandse lezer, met een overmaat aan normen en waarden aan het hoofd, het waakvlammetje van de afgunst onrustig opflakkeren.

Zou het allemaal wel zo gegaan zijn? Hebben al die overspelige liefdes, op het moment waarop één van beiden het wel welletjes vond, nooit tot bittere verwijten en zelfs niet tot teleurstelling geleid? Was het bordeelleven echt alleen maar het grote feest van een onverzadigbare willigheid, die na de uren van betaalde liefde – als we García Márquez mogen geloven – nog voldoende lust overhad voor onbetaalde, omdat de sjofele schrijver-journalist nu eenmaal geen cent te makken had? En zal het nachtelijk lezen van romans onder de straatlantaarns net zo prettig geweest zijn als het – ongetwijfeld – romantisch was: een Colombiaanse cocktail van La vie de bohème en Het meisje met de zwavelstokjes?

In meer dan één opzicht is de titel van de memoires van García Márquez veelzeggend. Er moet worden verhaald want er moet worden geleefd. Voor de geboren verteller die García Márquez is, heeft het woord `levensverhaal' nooit uit twee onderscheiden delen bestaan. Hij heeft er nimmer een geheim van gemaakt dat zijn oeuvre – vooral de belangrijkste en bekendste romans daaruit – grotendeels de literaire verwerking is van wat hij om zich heen zag of waarvan hij als kind en later de verhalen had gehoord.

Veel van wat García Márquez in dit boek verhaalt zal de lezer die zijn romans kent dan ook bekend in de oren klinken. Het verhaal van Liefde in tijden van cholera is vaak tot in kleine details geënt op de geschiedenis van zijn eigen ouders. Het kleine meesterwerk Kroniek van een aangekondigde dood is gebaseerd op een tragedie in de familie- en kennissenkring. De kolonel krijgt nooit post is een portret van zijn grootvader, veteraan uit de Oorlog van de Duizend Dagen. En diens oorlogsverhalen stoffeerden op zijn beurt het boek waarmee García Márquez een wereldauteur werd: Honderd jaar eenzaamheid.

In zijn memoires zou men het omgekeerde verwachten. Wat in de romans fantasievol is verwerkt, zou hier in de werkelijkheidsversie moeten worden beschreven. Af en toe kwijt García Márquez zich van die taak, soms verrassend – bijvoorbeeld wanneer hij onthult dat de figuur van `de kolonel' niet alléén op zijn grootvader is geïnspireerd.

Maar het motto van zijn boek wekt achterdocht. Hoe ver mogen we García Márquez in zijn herinneringen vertrouwen, wanneer deze zo uitdrukkelijk in dienst worden gesteld van het goed vertelde verhaal? Is het leven hier niet teruggebracht tot weinig meer dan een alibi voor de vertelling, die de werkelijkheid tenslotte grotendeels verzwelgt? In hoeverre hebben we hier alleen nog maar met herinneringen te maken, die nu eenmaal wispelturig plegen te zijn en zélf vaak meer leven van hun eigen fictie dan van de geschiedenis die ze denken te boekstaven.

Enig contrast hebben we wel, want vijf jaar geleden verscheen al de Márquez-biografie Terug naar de oorsprong van de Colombiaans-Spaanse schrijver Dasso Saldívar. Die besloeg weliswaar evenmin diens hele leven, maar kwam in één band ieder geval verder dan de meester zelf: tot aan diens internationale doorbraak met Honderd jaar eenzaamheid in 1967. En wie de twee boeken naast elkaar legt, ontdekt discrepanties die niet zonder betekenis zijn. Zo vertelt Saldívar zonder veel omwegen dat García Márquez in 1955 naar Europa ging als Europees correspondent van de Colombiaanse krant El Espectador, die de gok van een buitenlandse verslaggever wel aandurfde omdat de sterreporter zijn geld wel zou opbrengen. Zelf zou hij ook al langer met die gedachte hebben gespeeld.Als recensent was hij gegrepen geraakt door de cinema en hij wilde graag naar Rome om daar lessen te volgen aan de filmacademie.

Maar in de eigen herinneringen van García Márquez gaat het er allemaal wat romantischer aan toe. Zijn eerste reis naar Europa zou alleen maar bedoeld zijn geweest om verslag te doen van een conferentie van de Grote Vier (Engeland, Frankrijk, de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten) in Genève. Aan zijn moeder vertelde hij dat hij met twee weken weer terug zou zijn. Het zouden drie jaar worden.

Op weg naar het vliegveld – zo vertelt García Márquez verder – zag hij vanuit de taxi Mercedes Barcha zitten, het meisje waarop hij zijn zinnen had gezet en dat later zijn vrouw zou worden. Op het vliegveld schreef hij haar een briefje: `Als ik binnen een maand geen antwoord krijg, blijf ik voor altijd in Europa.' Een week later, schrijft García Márquez, `vond ik, toen ik na weer een nutteloze dag van internationale meningsverschillen mijn hotel in Genève binnenging, de brief met haar antwoord'.

Dat zijn de laatste zinnen van het boek en het is een meesterlijk slot. Als de scenarioschrijver die hij in Rome zou proberen te worden, eindigt García Márquez met een bloedstollende cliffhanger en je moet al een hart van steen hebben om niet reikhalzend uit te zien naar het tweede deel van de memoires om te weten wat het antwoord was.

Maar ook hier is Saldívar ontnuchterend. `Mercedes, die hij kort tevoren had gevraagd met hem te trouwen, was somber en bedroefd, maar zei dat ze het niet erg vond hun huwelijk een paar maanden uit te stellen', schrijft hij. Niks geen huwelijksaanzoek per luchtpost, maar een simpel arrangement tussen verloofden, en niks geen smachtende blik uit een taxiraampje op een beminde die niets in de gaten heeft. Niks geen plotselinge ingeving, bovendien, om na de conferentie in Europa te blijven hangen.

Saldívars versie is een stuk prozaïscher en daardoor helaas ook aanzienlijk waarschijnlijker. Banaliteit regeert nu eenmaal de wereld, zelfs die van García Márquez. Maar willen wij dat wel? De charme van zijn romans is altijd geweest dat het bestaan daarin plotseling betoverd leek. Het transformeerde in een bitterzoet mengsel van romantiek en naïviteit dat zo cru niet kon wezen of het werd wel verzacht door een sprookjesachtige glans van heimwee en ontroering. De term `magisch-realisme' heeft García Márquez altijd afgewezen, erop wijzend dat hij, net als in zijn reportages het hoogste genre in de journalistiek, op één lijn te stellen met de roman, zegt hij in zijn memoires uitsluitend de harde realiteit beschrijft, al heeft die van haar kant wel de hebbelijkheid zelf nogal sprookjesachtig te zijn.

Uitgelaten kon hij in een column dan ook ooit vertellen over het bezoek van een bevriende journalist, die binnen enkele uren na aankomst al diverse onwaarschijnlijke voorvallen had meegemaakt. Voor hem was dat een bewijs temeer dat de wereld zich, althans rond hem, vanzelf plooide naar de fluwelen rondingen van een willige natuurlijkheid, die zich alleen aan versteenden van hart als `bovennatuurlijk' en magisch voordeed. `Ik geloof dat er echt een tijd heeft bestaan waarin tapijten vlogen en geesten in flessen gevangen zaten,' schreef hij in De zee van mijn verloren verhalen. `Ik geloof echt in de triomfantelijke waarheid dat Gargantua uitbundig op de kathedralen van Parijs urineerde. Sterker nog, ik geloof dat dergelijke wonderen nog steeds gebeuren.'

Van zo'n schrijver moet je, zelfs wanneer het zijn eigen levensgeschiedenis betreft, geen slaafse onderwerping aan de dictatuur van het feit verwachten. Soms leidt dat tot hinderlijke slordigheden, zoals wanneer García Márquez het aantal slachtoffers van de politieke repressie in de jaren vijftig op meer dan een miljoen mensen schat, wat op een totale toenmalige bevolking van nog geen tien miljoen onvoorstelbaar is. Zeventig bladzijden later noemt García Márquez het meer correcte, maar nog altijd verbijsterende getal van driehonderdduizend doden – groot genoeg om duidelijk te maken hoe Colombia de afgelopen halve eeuw politiek zo verschrikkelijk kon ontsporen.

De politieke geschiedenis van het land is in deze memoires voortdurend op de achtergrond en zeer regelmatig op het voorplan aanwezig. Dat is geen wonder omdat García Márquez van een aantal sleutelgebeurtenissen daarin ooggetuige was en deze zijn levenslot mede hebben bepaald. De moord op de vooruitstrevende politicus Jorge Eliécer Gaitán in 1948 en de daaropvolgende gevechten en plunderingen die een groot deel van het centrum van Bogotá in de as legden, beleefde hij als jong journalist van nabij mee. Hij doet er als memoiresschrijver bloedstollend verslag van, met een rijkdom aan details die ook hier de beeldende inventiviteit van de faction-schrijver doet vermoeden.

García Márquez zou waarschijnlijk niet anders kunnen en zijn lezers zouden door een onopgesmukt en alledaags verslag van wat er in zijn leven werkelijk is gebeurd alleen maar ontgoocheld worden. Hij blijft de grootmeester van een wereld die betoverd raakt door zijn blik erop en zijn weergave ervan. Hoe die wereld er in haar naaktheid heeft uitgezien, zullen we waarschijnlijk nooit weten. Zelfs Saldívar baseert zich op de reconstructie van zijn jeugdjaren, waarop het belangrijkste deel van zijn oeuvre steunt, in verregaande mate op dat oeuvre zelf. Daarmee is diens wereld een in zichzelf kortgesloten geheel en een universum op zich geworden.

Wellicht had die zelfgeschapen werkelijkheid beter mythisch kunnen blijven in plaats van, onder het mom van een autobiografie, een hybridisch boek te worden dat noch helemaal verdichting noch helemaal waarheid is. De pretentie van het laatste heeft de vorm van het boek geen goed gedaan. Feiten en gebeurtenissen volgen elkaar vaak op met een fantasieloosheid (`en toen...', `hoe dan ook...') die een echte roman zich niet had kunnen veroorloven.

Maar in die gebeurtenissen krijgt de verbeeldingsvolle formuleringskracht van García Márquez als van oudsher vrij baan. Zo bedwelmend en sprookjesachtig als zijn kinderjaren, het journalistieke succes en niet te vergeten de talloze gestreelde vrouwendijen hier beschreven worden, zijn ze misschien allemaal niet geweest. Maar wie zou deze verhalen erover hebben willen missen?

Gabriel García Márquez: Leven om het te vertellen. Uit het Spaans vertaald door Aline Glastra van Loon, Mariolein Sabarte Belacortu, Arie van der Wal en Mieke Westra. Meulenhoff, 572 blz. €32,50 (geb) / €24,50 (pbk)

Sinds in 1967 voor het eerst een boek van Gabriel García Márquez in het Nederlands verscheen (Het kwade uur) heeft uitgeverij Meulenhoff tussen de één en anderhalf miljoen boeken van de Colombiaanse Nobelprijswinnaar 1982 verkocht.

Het grootste succes was Honderd jaar eenzaamheid, (400.000 stuks sinds 1971), terwijl ook Liefde in tijden van cholera (250.000 sinds 1986), Kroniek van een aangekondigde dood (200.000 sinds 1981), Over de liefde en andere duivels (150.000 sinds 1994) en De kolonel krijgt nooit post (100.000 sinds 1973) bestsellers werden.

Vrijwel het gehele oeuvre is in het Nederlands vertaald, evenals de biografie Terug naar de oorsprong door Dasso Saldívar (1998) en De geur van guave. Gesprekken met Plinio Apuleyo Mendoza uit 1983. Die boeken zijn inmiddels niet meer leverbaar. Tegelijk met de memoires verschijnen vijf eerdere boeken van García Márquez in een nieuwe editie: Alle verhalen (€27,50), Honderd jaar eenzaamheid, Liefde in tijden van cholera, Over de liefde en andere duivels en De herfst van de patriarch (allen €12,50). Leven om het te vertellen verschijnt in een eerste oplage van 50.000 exemplaren.

    • Ger Groot