Ik had het mooiste museum van de wereld kunnen maken

Rudi Fuchs is opgelucht dat zijn directeurschap van het Amsterdamse Stedelijk Museum voorbij is. ,,Misschien heb ik de mate waarin je als directeur je eigen wil kunt doorvoeren verkeerd ingeschat.''

De museumzalen van het Stedelijk liggen er grauw en verlaten bij. Een groot aantal ervan is dicht. Een tentoonstellingsprogramma is er niet. Het museum zou immers met ingang van het nieuwe jaar gesloten zijn om gerenoveerd te worden. Sinds dit besluit in december herroepen is, weet niemand wat er met het museum staat te gebeuren. Enkele zalen zijn ad hoc ingericht met werken uit de collectie. Op de begane grond is de tentoonstelling van de Engelse kunstenares Tracey Emin verlengd om de leegte enigszins op te vullen, evenals de tentoonstelling Life in a Glass House in de nieuwe vleugel.

Rudi Fuchs arriveert op het afgesproken tijdstip in het museum voor een gesprek. Hij gaat mij voor naar wat tot kortgeleden zijn kamer was. Sleutels heeft hij niet meer, die heeft hij op 1 januari, de datum van de beëindiging van zijn directeurschap, ingeleverd. Hij is ontstemd wanneer hij ontdekt dat de grote tafel in zijn werkkamer voor de helft leeg is. De boeken en papieren waarmee het tafelblad altijd bezaaid lag zijn bij zijn afwezigheid naar één kant geveegd.

Fuchs was van 1975-'87 directeur van het Van Abbemuseum, vervolgens van het Haags Gemeentemuseum, en in 1992 trad hij aan als directeur van het Stedelijk. Hij formuleert zijn gedachten voorzichtig, af en toe moeizaam en aarzelend.

Fuchs: ,,Ik was in Eindhoven gisteren. Prachtig. Het nieuwe museumgebouw van Abel Cahen is een meesterwerk. De inrichting is ook goed gedaan. Het is meteen het beste museum van Nederland.''

Deed dat pijn?

,,Pijn – nee dat niet. Want vanuit een zuiver persoonlijk standpunt geredeneerd: ik heb veel bijgedragen aan de collectie. Nu is het Van Abbe een prachtig museum. Hoewel ik daar met een zekere melancholie rondliep, werd ik er toch opgewekt van.''

Bent u opgelucht dat de episode van het Stedelijk achter de rug is?

Na een lange stilte: ,,Ja maar ik ben gaan nadenken waarom ik eigenlijk opgelucht ben. Misschien omdat ik zo'n rol of functie als directeur van dit museum door iets wat ik niet meer kan construeren als een vernauwing heb ervaren. Voor mij was het altijd normaal dat je, als je het hebt over een moderne kunstenaar, het dan tegelijk ook kan hebben over Giotto of Dürer. Daar is geen tegenstelling. Ik zie continuïteit. Ik heb het gevoel dat in de hedendaagse kunst dit besef aan het verdwijnen is, of dat deze benadering te complex is. Het is te complex in relatie tot wat de buitenwereld wil. Die wil instant gratification en een totale uitleg. Je ziet dat ook in de politiek. Alles moet direct begrijpelijk zijn. Aarzelingen worden niet geaccepteerd.''

Uitleggen, daar is toch niets op tegen?

,,De essentie van het kunstwerk is dat je het nooit uit kan leggen. Het museum is geen uitleginstituut.''

U heeft zelf niet al te lang geleden een notitie geschreven waarin u het museum benoemde als `school'.

,,Een school gaat over het bevorderen van nieuwsgierigheid.''

Niet over onderwijs?

,,Nee. Het gaat erom dat de mensen denken: wat heb ik daar nou gezien? En dat ze dan denken: ja, ik vind het een goed werk.''

Welke invloed had deze ervaring van vernauwing op uw directeurschap?

,,Het onbelangrijk worden van de geschiedenis leidt ertoe dat in de museale wereld vooral gelet wordt op tentoonstellingen die een direct effect hebben. Je kan zeggen dat het kijken van mensen naar kunst betrekkelijk toeristisch is. Je mag hopen dat ze maximaal twintig seconden naar een werk kijken. Dat is al lang. Als je dat kunt bereiken is het bezoek geslaagd. Het succes van Tracey Emin is erop gebaseerd dat je om haar werk te begrijpen niets hoeft te weten van de geschiedenis van de kunst. Haar werk is een spannend dagboek. Ik denk dat die andere kunst, kunst die gemaakt wordt om het sublieme te laten zien, niet meer past in onze tijd. Mijn bevrijding is een beetje dat ik niet meer hoef uit te leggen waarom ik dat soort kunst nog wil laten zien. Misschien had ik door moeten gaan met mijn Couplettentoonstellingen waarin ik kunst uit verschillende landen en periodes op een ongebruikelijke manier met elkaar combineerde. Weet je wat het ook is, het klinkt weliswaar lamlendig, maar in de tijd dat ik met de Couplettentoonstellingen begon, als directeur van het Van Abbemuseum, toen kon je nog gewoon een kunsthandelaar bellen en zeggen: ik wil dat en dat werk van Kurt Schwitters hebben en dan kreeg je 't. Dat kan nu niet meer. Het is geen excuus, maar het belemmert je in je plannen.''

In het Van Abbe organiseerde U een inspirerende reeks exposities van vernieuwende kunstenaars. Arte povera, minimal art, conceptuele kunst, schilderkunst, alles kwam aan bod. Waarom legde u in het Stedelijk zo'n nadruk op de schilderkunst? Er zijn veel toonaangevende niet-schilders voor wie u in Eindhoven belangstelling had, zoals Giovanni Anselmo of Stanley Brouwn, maar die in Amsterdam nooit aan bod kwamen. En belangrijke recente ontwikkelingen in de kunst zijn genegeerd.

,,Ik kan met deze kritiek niet uit de weg. Als u dat zo vindt moet u dat opschrijven. Anselmo, Brouwn: dat zijn tentoonstellingen die inderdaad moeten gebeuren. Die stonden op mijn lijst. Maar dat kan nu niet meer. Ik heb bijvoorbeeld wel een tentoonstelling gemaakt van de beeldhouwer Georg Herold. En ik heb ook veel Nederlandse kunst laten zien. Misschien te veel.''

De Nederlandse kunstenaars die u in het Stedelijk toonde, kwamen uit dezelfde hoek: van de Ateliers, het opleidingsinstituut waar u in het bestuur zit. Bijna allemaal beoefenen ze een formalistische, abstracte schilderkunst. Dat was niet bevorderlijk voor een vruchtbaar en open kunstklimaat in ons land.

,,Het waren de mensen die ik goed vond. Je moet ervan uitgaan dat Nederlandse kunstenaars van een bepaald niveau in het Stedelijk te zien zijn.''

Er is een hele generatie Nederlandse kunstenaars, veertigers, die in artistieke zin zijn opgevoed door uw beleid in het Van Abbe. Het zijn voornamelijk niet-schilders, en er zijn belangrijke kunstenaars bij. U heeft de deur altijd voor hen gesloten gehouden.

,,Ik vind dat jammer. Ik heb mij dat niet gerealiseerd. Maar zij hebben dan misschien ook wel te veel van mij verwacht. Overigens heb ik van een aantal mensen die ik niet heb getoond wel werk aangekocht.

,,Het gemak waarmee je in het Van Abbe tentoonstellingen kon maken is niet te vergelijken met het Stedelijk. Het was mijn persoonlijke terrein, en je had maar twee of drie conservatoren. Hier heb je tientallen conservatoren en allerlei verschillende afdelingen.''

Heeft u het directeurschap van het Stedelijk onderschat?

,,Misschien heb ik de mate waarin je als directeur hier je eigen wil door kan voeren verkeerd ingeschat. Overigens had ik naar mijn idee behoorlijk contact met mijn conservatoren. Er is de suggestie gewekt dat zij geen zeggenschap hebben gehad over de nieuwbouwplannen. Maar dat is niet waar. Ze zijn overal bij betrokken geweest. Ik heb ook voorgesteld regelmatig bij elkaar te komen om elkaars tentoonstellingen te bekritiseren. Maar er kwam helemaal niks uit die bijeenkomsten. En wat het management betreft: ik heb een paar jaar geleden zelf gevraagd om een zakelijk directeur, Stevijn van Heusden, te benoemen zodat ik me met artistiek beleid, programma en conservatoren zou kunnen bezighouden. Dat had misschien eerder moeten gebeuren. Een goede directeur moet gewoon een goede kunsthistoricus zijn, die weet waar de kunst over gaat.

,,De kritiek die u op mij heeft, die is destijds allemaal ook geschreven over Edy de Wilde. Ik denk dat die vier directeursperiodes van Sandberg, De Wilde, Beeren en mijzelf niet zo heel anders zijn geweest. Ik denk dat we alle vier geprobeerd hebben de tijd bij te houden, ieder met zijn eigen voorkeuren. En na elke periode was er kritiek en teleurstelling.''

Ik herinner me de directoraten van De Wilde en Beeren goed. Ik geloof dat er nu toch iets anders aan de hand is.

,,Wat er nu aan de hand is, is dat het voortbestaan van het klassieke museum in het geding is. Het hele drama rond de nieuwbouw van het Stedelijk gaat niet over het geld het gaat over de vanzelfsprekendheid dat iets wat bestaat blijft bestaan. Over de kwaliteit van het programma kan je twisten, maar niet over het voortbestaan van het museum.''

Inmiddels is het Stedelijk Museum museum op een dieptepunt in zijn geschiedenis beland.

,,Ja, maar dat is toch niet mijn schuld?''

Wellicht was het niet zover gekomen wanneer u in de kunstwereld meer steun had weten te genereren voor uw beleid en een breder draagvlak had weten te creëren voor het Stedelijk.

,,Dat is niet zo. Dat is bijna een belediging. Er is wél een draagvlak. Deze problemen betreffen niet alleen het Stedelijk, er is veel meer aan de hand. Er is iets aan het veranderen, iets aan het ontsnappen dat we altijd hebben gekoesterd. De twintigste eeuw heeft geprobeerd een utopie te realiseren. Aan het eind van de eeuw zou er geen ziekte meer zijn, en geen armoede. Denk aan Mondriaan, aan het hele Amerika-project. Die utopie is tegengevallen. Het resultaat daarvan is het ontstaan van politieke partijen als Leefbaar Rotterdam, LPF. De mensen willen terug naar zichzelf. En niet alleen de politiek, ook de kunst gaat terug naar het gewone leven. Het vasthouden aan een stijl, aan iets waar maar kleine verschillen in zitten en daarop variëren, het zoeken naar het sublieme – deze houding die op mijn generatie altijd de meeste indruk heeft gemaakt, daar is nu geen waardering meer voor. Kijk maar naar de kunst zoals die op de Documenta in Kassel te zien was. Het zit allemaal heel dicht tegen reportage aan. De vorm is overbodig geworden. Iedereen kan een cameraatje kopen en een filmpje maken. Het maakt niet uit waar: Amerika, Afrika, Nieuw-Zeeland, Lapland. De kunst gaat terug naar het gewone leven.

,,We zijn aangekomen op een cruciaal moment in de cultuurgeschiedenis. In de vorige eeuw was kunst een metaforische uitdrukking van een utopie. Ik vraag me af of dit idee van een kunst die mensen iets aanbiedt – verwondering, troost of God mag weten wat – in onze tijd nog wel kan bestaan. De wereld is veranderd, zichtbaarder geworden. In mijn begintijd bestond er nog een consensus dat het museum de moeite waard was om in stand te houden. Die consensus is er niet meer. In de twintigste eeuw heeft de kunst, en de kunstenaar, een enorm belangrijke rol toebedeeld gekregen. Misschien is dat ook voorbij.''

Dus u bent eigenlijk op het juiste moment uit het museum gestapt?

,,In zekere zin wel ja.''

Maar zo had u het niet bedacht.

,,Nee. Ik had bedacht dat het museum dit voorjaar klaar zou zijn. En dan had ik nog vier jaar gehad om dingen te laten zien, zo mooi, daar had de wereld versteld van gestaan. Maar de laatste jaren zijn een hel geweest. Voor mij, en ook voor de anderen hier. Er is ons een malaise aangepraat, en als dat gevoel eenmaal bestaat is er geen weg terug. Onze ambities zijn verstoord geraakt door gebeurtenissen van buitenaf. Je moet het je zo voorstellen, dat je in een huis woont dat om je heen afgebroken wordt. Ik kan niet nu nog vier jaar om een bouwput gaan staan, want tegen de tijd dat het museum af is ga ik met pensioen. Ik had toe willen leven naar het moment dat het museum weer open gaat en dat alle belemmeringen weg zijn. Dan had ik kunnen laten zien dat ik het mooiste museum van de wereld had kunnen maken, met een collectie die interessanter is dan die van het MoMa in New York of de Tate in Londen. Dat is niet gelukt. De tijd heeft ons ingehaald. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de gemeenteraad. De gemeenteraad van Amsterdam moet zichzelf overtuigen van het belang van een museum. Ik ga nu nog één keer de collectie laten zien. In het hele gebouw, met de hele staf en alle verschillende afdelingen, maar ik ben de regisseur. Dat wordt mijn gedroomde museum.''

Tracey Emin: tot 26 januari.

`Life in a Glass House': tot 16 februari.

    • Janneke Wesseling