`Forensisch accountant misbruikt'

Bedrijven zetten regelmatig particuliere forensische accountants in om gronden te verkrijgen waarop zij zich van lastige werknemers kunnen ontdoen. Verdachte werknemers die onderwerp zijn van een forensisch accountantsonderzoek naar een fraudezaak, genieten nauwelijks rechtsbescherming.

Dat blijkt uit een onderzoek van de Vrije Universiteit in opdracht van het Programma Politie en Wetenschap. Afgelopen jaar werd de forensische praktijk van de – toen nog – `Big Five' van de accountantskantoren, Deloitte & Touche, KPMG, PricewaterhouseCoopers, Ernst & Young en Andersen, tegen het licht gehouden. De laatste is sinds het Enron-schandaal ter ziele. De kantoren verrichten gezamenlijk een kleine duizend onderzoeken per jaar.

Verdachten, in de forensische accountancy `objecten' genoemd, kunnen zich moeilijk verweren tegen beschuldigingen in fraudezaken, omdat het tuchtrecht in de accountancy is geschreven ter bescherming van de opdrachtgever, zo stellen de onderzoekers. De opdrachtgevers is in dit geval de onderneming die een werknemer wil laten onderzoeken op mogelijke frauduleuze handelingen.

Een verdachte werknemer kan wel een klacht indienen bij de raad van tucht, die onderzoekt of de gedrags- en beroepsregels voor registeraccountants zijn nageleefd, maar die klacht moet gericht zijn op het handelen van de accountant. De tuchtrechter controleert niet of de beschuldigingen aan het adres van de verdachte al dan niet terecht zijn, en of bijvoorbeeld het ontslag dat volgt op het onderzoek terecht was. Bij tuchtrechtelijke klachten wordt niet getoetst of de gevonden feiten rechtmatig zijn verkregen en of zij kloppen, aldus de VU-onderzoekers Van Wijk, Huisman, Feuth en Van de Bunt.

Ook blijkt dat verdachte werknemers door de accountants meestal niet worden gewezen op de mogelijkheid een klacht in te dienen bij de raad van tucht. Ook wordt `objecten' meestal niet verteld dat zij een advocaat in de arm kunnen nemen tijdens het onderzoek.

Een werknemer die object van een accountantsonderzoek is kan achteraf wel terecht bij de civiele rechter om te proberen de consequenties van het onderzoek, vaak ontslag, ongedaan te maken, of om een schadevergoeding te eisen. Dat laatste deed bijvoorbeeld oud-minister A. Peper naar aanleiding van de fraudebeschuldigingen rond declaraties in zijn tijd als burgemeester van Rotterdam.

In een civiele procedure staat staat de verdachte werknemer echter voor het probleem dat hij het accountantsrapport moet zien te ontkrachten. Volgens de onderzoekers is het de vraag of de verdachte een onderzoek met een second opinion kan laten uitvoeren bij zijn werkgever.

Ook concluderen de onderzoekers dat er onduidelijkheid bestaat over de regels die de grote accountantskantoren gebruiken bij hun forensische onderzoeken. Zo is nergens vastgelegd of zij gebruik mogen maken van anonieme getuigen. Dat blijkt in de praktijk wel voor te komen.

De forensische accountancy begon in de jaren negentig aan een opmars onder invloed van de toegenomen aandacht voor de bestrijding van allerlei soorten van fraude. Financieel-economisch rechercheren werd bij verschillende opsporingsinstanties een specialisme, maar het bedrijfsleven geeft over het algemeen de voorkeur aan interne onderzoeken om negatieve publiciteit te voorkomen.

De onderzoekers hebben kritiek op deze vorm van `private justice', omdat met deze vorm van rechercheren onrecht aan het publieke oog wordt onttrokken. Zeker bij zwaardere financiële delicten is het voor de samenleving van belang te weten wat er gebeurt, aldus de onderzoers.