Europees Congres voor parlementariërs

Frankrijk en Duitsland willen een Europees Congres instellen dat bestaat uit leden van nationale parlementen en het Europees Parlement. Dit voorstel hebben beide landen gisteren naar de Conventie over de toekomst van Europa gestuurd.

Het Europees Congres zou een keer per jaar de toestand in de Europese Unie moeten bespreken. Het plan maakt deel uit van de voorstellen voor herziening van het bestuur van de Europese Unie waarover Frankrijk en Duitsland eerder deze week overeenstemming bereikten. De Franse en Duitse ministers van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer en Dominique de Villepin, maakten de details daarvan gisteren bekend.

De overgrote meerderheid van de leden van de Conventie heeft zich al uitgesproken tegen zo'n Europees Congres. Het idee om zo'n nieuw Europees orgaan op te richten is afkomstig van de voorzitter van de Conventie, de vroegere Franse president Valéry Giscard d'Estaing. Ondanks de tegenstand binnen de Conventie heeft hij in een eerste schets voor een constitutioneel verdrag van de EU de mogelijkheid van instelling van zo'n congres laten opnemen.

In het Frans-Duitse document is het voorstel van een vaste president van de Europese Raad (de vergadering van regeringsleiders) nader uitgewerkt. De Franse president Jacques Chirac en de Duitse bondskanselier Gerhard Schröder werden het afgelopen dinsdag eens dat de EU naast de voorzitter van de Europese Commissie ook zo'n president moet krijgen. Op dit voorstel is al negatief gereageerd door vertegenwoordigers van kleine landen, waaronder Nederland, en van het Europees Parlement.

De Conventie, die bestaat uit leden van nationale parlementen, van het Europees Parlement en vertegenwoordigers van regeringen, werkt aan een ontwerp voor een nieuw constitutioneel verdrag van de Europese Unie. De Europese regeringsleiders willen aan de hand van dit ontwerp na de komende zomer over een definitief verdrag onderhandelen.

Volgens het Frans-Duitse voorstel moeten de EU-regeringsleiders de president met een gekwalificeerde meerderheid voor maximaal vijf jaar kiezen. De president mag niet, zoals met de huidige roulerende EU-voorzitterschappen het geval is, tevens regeringsleider van een lidstaat zijn. Het presidentschap is een voltijdsbaan. De president moet het werk van de Europese Raad leiden. Bovendien moet hij de Europese Unie op internationaal niveau vertegenwoordigen, ongeacht de bevoegdheden van de voorzitter van de Europese Commissie.

De EU-president moet er ook rekening mee houden dat in de dagelijkse gang van zaken bij het Europese buitenlands- en veiligheidsbeleid de bevoegdheid ligt bij de `Europese minister van Buitenlandse Zaken'. Deze nieuwe functie is de samenvoeging van de functies van de EU-buitenlandcoördinator (thans Javier Solana), en van de Europees Commissaris voor Buitenlands Beleid (momenteel Chris Patten). Voor deze samenvoeging bestaat grote steun binnen de Conventie.

De nieuwe Europese minister van Buitenlandse Zaken zou voorzitter moeten worden van de vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU-lidstaten. Hij zou met gekwalificeerde meerderheid door de Europese Raad benoemd moeten worden. Besluiten op buitenlands terrein zouden met gekwalificeerde meerderheid genomen moeten worden. De Europese minister zou moet kunnen beschikken over een eigen Europese diplomatieke dienst.

www.nrc.nl/docplan

    • Ben van der Velden