EU niet met twee voorzitters

Aan het Frans-Duitse plan voor een tweekoppige leiding voor de Europese Unie zitten aspecten die in strijd zijn met het Nederlandse belang en het belang van de EU. De succesformule van de communautaire methode mag niet ondergraven worden, vindt Jozias van Aartsen.

Wanneer woensdag de Nederlandse kiezer zijn stem uitbrengt, zal enkele honderden kilometers zuidelijker de politieke elite uit Frankrijk en Duitsland het glas heffen. Niet op de uitslag van de Nederlandse verkiezingen, maar op het 40-jarig jubileum van het Elysée-verdrag.

Dat verdrag markeerde het einde van de Frans-Duitse rivaliteit op het Europese continent en was vooral voor Frankrijk de uitdrukking van de vurige wens Bonn toen nog hoofdstad van West-Duitsland en Parijs een leidende rol te laten spelen in het Europa van de zes. De herdenking van dat historische feit zal meer betekenis hebben voor de Europa-politiek van Nederland dan de stembusuitslag van die dag.

De voorbereiding van de festiviteit in Versailles heeft immers al geleid tot koortsachtige activiteit in de kanselarijen van de beide hoofdsteden. In de aanloop naar `Versailles' is een Frans-Duits plan gepresenteerd voor een tweekoppige leiding van Europa dat overduidelijk een Frans stempel draagt. Dat is al jaren het vaste patroon van Frans-Duits overleg. Als puntje bij paaltje komt denk aan het roemruchte landbouwakkoord voor de top van Brussel wint Parijs het op punten. Het is adembenemend om de superieure Franse diplomatie te zien opereren met, naar het lijkt, de Duitsers als gebiologeerde toeschouwers.

Er zit dan ook een lange historie achter. In januari 1963 zei de toenmalige Franse president de Gaulle al: ,,Nous allons faire a deux ce que les Belges et les Hollandais nous ont empechés de faire a six Mais ces deux-la comptent beaucoup plus que les quatres autres réunis.'' Als we ons de geschiedenis van de jaren '60 voor de geest halen, blijkt dat ook door stug Nederlands verzet in die jaren een wat boude overdrijving van de grote generaal.

Het is goed ons te herinneren dat de ideeën die deze dagen van een Franse dinertafel rolden, veel gelijkenis vertonen met een plan-Chirac van tweeënhalf jaar geleden. Een Duitse capitulatie.

Hoewel de Duitsers zich graag zien als de kampioen van de kleine landen lijkt mij dit een extra reden voor Nederland om ons niet, zoals het kabinet-Balkenende dreigde te doen, exclusief op onze relatie met de BRD te verlaten.

Er zitten aan het plan voor een tweekoppige leiding één door het parlement gekozen voorzitter van de Europese Commissie en één door de Europese Raad `gekozen' voorzitter van de raad van ministers – aspecten die in strijd zijn met het Nederlands belang en het belang van de EU.

Om te voorkomen dat het plan vleugels krijgt in de Conventie en bevestiging in de intergouvernementele conferentie die daarop zal volgen, zal Nederland hiertegen tijdig stelling moeten nemen. Aan alternatieven ontbreekt het geenszins.Mijn hoofdbezwaren zijn tweeërlei.

Ten eerste zou nu het er op aan komt draagvlak te scheppen bij de burgers – alle energie gestoken moeten worden in de inhoud van het Europese beleid: veiligheid van lijf en goed (de derde pijler), veiligheid van leefomgeving (het gemeenschappelijk landbouwbeleid), veiligheid van baan (monetaire stabiliteit en werkgelegenheid), geografische veiligheid, en een goed en verstandig verloop van de uitbreiding van de EU.

In plaats daarvan dreigt nu veel tijd en energie verloren te gaan door een tijdverslindend theater om de macht in de Unie op te voeren. Want dat zal het gevolg zijn van het in Parijs uitgebroede plan. Waren we maar nooit aan dit puzzelspel met instituties begonnen.

Mijn tweede bezwaar richt zich tegen de fundamentele verschuiving in de machtsbalans die het gevolg zal zijn van het in de praktijk brengen van de ideeën van Parijs en Berlijn. Terecht hebben de kabinetten-Kok en het kabinet-Balkenende de succesformule van de communautaire methode bewezen in jaren van dienst te vuur en te zwaard verdedigd. Evenwicht tussen de Europese instellingen kenmerkt dit model.

Nu zou de balans echter verschuiven naar de machtige voorzitter van de Raad die ook de nieuwe buitenland-minister van de EU volledig in zijn greep krijgt. Daarenboven kan het niet anders, of de door het Europese Parlement gekozen voorzitter van de Commissie zal de strijd aanbinden met de voorzitter van de Raad.

Ik sta niet alleen in die vrees: ook de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Fischer zou dit bezwaar hebben geuit.

Velen zien in de Frans-Duitse bijdrage aan de conventie een bewijs van de herleving van de as die 40 jaar geleden werd gesmeed. Ik zie het eerder als de laatste opflakkering van een toch al vaak moeizaam verlopende samenwerking, in het zicht van de uitbreiding van de EU met 10 (vooral ten oosten van Duitsland gelegen) lidstaten. De relatie van Duitsland met vele kandidaat-lidstaten is hechter en recenter dan die Frankrijk ermee onderhoudt.

Frankrijk heeft het moeilijk met de definiëring van zijn rol in de grotere Unie. Dit grote land hunkert naar een verleden in plaats van vooruit te zien naar een Europa dat verandert.

Het zijn ook de nieuwe lidstaten, met hun pas verworven soevereiniteit, die grote bezwaren zullen koesteren tegen een door de `groten' gedomineerde en waarschijnlijk genomineerde voorzitter van de Raad. Dit geeft Nederland een kans voor open doel.

De Frans-Duitse as is niet zo hecht als velen denken. Ook nieuwe lidstaten hebben weinig te winnen op de bagagedrager van de tandem Chirac-Schröder. En Duitsland zal de komende jaren toch echt de rol moeten gaan spelen die de omstandigheden haar in min of meer in de schoot werpen. De Duitsers kunnen toch niet eeuwig aan de Franse ketting.

Wanneer wij niet de fout maken mee te bewegen met een plan waar we in wezen niet voor zijn, maar ons er, passend bij onze kritische traditie, tegen verzetten, dan zullen we succes hebben. Een stabiele Nederlandse regering met een coherente visie op Europa is daarbij uiteraard een eerste vereiste.

J.J. van Aartsen is oud-minister van Buitenlandse Zaken.