Eerst de wereld, en dan pas de kerk

De kanonnen van de bevrijders waren al te horen, maar dat wierhield de nazi's er niet van om op 6 april 1945 de protestantse theoloog Dietrich Bonhoeffer uit wraak in de gevangenis van Flossenburg op te hangen. Sinds 1966 is gewerkt aan een meer complete biografie van deze verzetsheld. Wat maakt Bonhoeffer al die moeite waard?

Dietrich Bonhoeffer zat tot zijn oren in het verzet, zelfs verzet in de zin van conspiratie, tegen het nationaal-socialistisch regime in het algemeen, en Hitler in het bijzonder. De aanslagen op diens leven, de mislukte moet ik erbij zeggen, waren hem niet alleen bekend, hij heeft ze ook helpen voorbereiden, en er zelfs in een vroeg stadium al op aangedrongen. Daar komt een tweede bijzonderheid bij: Bonhoeffer was een Duitser die stamde uit de professorenkringen waaraan het Duitsland van de negentiende en twintigste eeuw zijn grote naam heeft ontleend. Een echte Duitse Duitser dus, van huis uit conservatief, stijf, bijna Pruisisch, maar ziedaar, echte Duitsers konden kennelijk (in termen van ons naoorlogs taalgebruik) ook goede Duitsers zijn.

Heel de familie Bonhoeffer was betrokken in dat verzet, de ouders – dat mag je ook wel eens bedenken – hebben het moeten bekopen met het vermoord worden van twee zonen en twee schoonzonen. Tot de laatsten behoorde Hans van Donanyi, die getrouwd was met een zuster van Dietrich Bonhoeffer. De hoofdstukken over de machinaties van de Reichssicherheitshauptdienst en de tegenwerking van de Abwehr (admiraal Canaris) zijn fascinerend. Wie wil weten wat er in Duitsland gebeurde tussen 1942 en 1945 doet zichzelf tekort door ze over te slaan.

Een protestantse heilige – dat is hij geworden door zijn brieven uit de gevangenis van Tegel. Toen hij theologie ging studeren, was dat nog echte Duitse theologie, een apart genre. Bonhoeffer beheerste dat, daarvan legt zijn dissertatie getuigenis af: niet te lezen vanwege het hoge abstractieniveau, maar met een zinnige vraagstelling voor wie er doorheen kon komen. Midden in dat theologisch bedrijf deed hij intussen ook nog predikantswerk (in het buitenland en in Berlijn), was hij opleider aan het seminarie voor de predikanten van de `Bekennende Kirche', een kongsie die zich richtte tegen de annexatie van de kerk door de nazi's, schreef hij zijn ethische werken, en reisde hij – nog pacifist – de wereld rond om vrede te organiseren en toen dat niet lukte – inmiddels pacifist af – om tot internationaal verzet tegen Adolf Hitler op te roepen. Om tenslotte als gevangene van de nazi's te eindigen, niet zomaar een gevangene, maar een prijsdier waarmee men zo gauw niet wist wat te doen, behalve dan dat hij niet vrij mocht komen.

Lont

Bonhoeffers gevangenschap is essentieel geweest voor zijn betekenis. Hij gebruikte zijn dagen in Tegel om brieven te schrijven aan zijn vriend Bethge, en naast allerlei persoonlijke dingen die ze bevatten, leggen ze een lont onder de gevestigde orde van de christelijke geloofswereld. Begonnen als conservatief, traditioneel kamergeleerde blaast hij in summiere notities de hele theologie op, en hij doet dat met zo'n kracht en intelligentie dat tot op vandaag zijn aantekeningen hun openbrekend werk verrichten. Of liever: deden ze dat maar. Hadden dominees, pastoors, synodes, bisschoppenconferenties zich de bladzijden uit Verzet en Overgave (zo heet de bundel brieven uit de gevangenis) maar eigen gemaakt, lazen ze vandaag al was het maar een of twee pagina's uit dat boek, en we hadden een ander christendom in Europa.

Bonhoeffer hoort thuis in de het rijtje van Barth en Bultmann (hij zegt het zelf ergens), en wat alle drie verbindt is hun merkwaardige strijd tegen de religie. Bonhoeffer, om het bij hem te houden, spreekt zelfs van een `religionsloses Christentum' waar hij naar toe wil. Zijn ze gek geworden, alle drie, denkt de doornee lezer. Wat moet je je voorstellen bij religieloos christendom! Inderdaad, dat was voor Bonhoeffer niet eenvoudig om uit te leggen, maar wat hij bedoelde wordt naarmate de tijd verstrijkt duidelijker.

Wat er mis is met religie is het denken in twee werelden, het zich terugtrekken in de veilige wereld van de godsdienst. Religie in deze zin genomen is niet alleen een vorm van escapisme, ze zet je ook nog eens op het verkeerde been, want ze schoffelt onder waar het om begonnen was en is: het woord van God. Maar wat is dat? Is het nu het woord over God of het woord ván God, de sprekende God zelf dus. Karl Barth, Rudolf Bultmann en Dietrich Bonhoeffer willen alledrie naar die sprekende God toe, maar hoe kun je daar iets over zeggen zonder althans duidelijk te maken dat het God is die je aanspreekt, zonder ook uitvoerig óver God te praten?

Daar wordt Karl Barth het slachtoffer van: dertien delen dogmatiek over God en Jezus, en nog is het niet genoeg om uit te leggen waaraan je Gods Woord kunt herkennen. Barth verzandt in `openbaringspositivisme': hij voert geopenbaarde waarheden in, is het herhaaldelijk gehanteerde oordeel van Bonhoeffer. En dat loopt uit op restauratietheologie: je bent weer terug bij af. Bultmann, oude makker van Barth, blijft aan de oorspronkelijke optie vasthouden: Gods Woord is `Anrede', actuele aanspraak, de sprekende god, dus geen dogmatiek, en al helemaal geen rechtzinnige. Maar wat zegt God dan? Bultmann zoekt het antwoord met behulp van de Lutherse dogmatiek, maar komt er niet uit.

Bonhoeffer slaat een andere weg in en komt het verst. God = transcendentie, en waar treft een mens transcendentie? Ook voor Bonhoeffer moet je dan bij Jezus Christus zijn, maar dan als voorbeeld. Voorbeeld van een mens die getroffen is door transcendentie, en zo'n mens herken je aan wat hij noemt `für andere dasein'. Niet de twee naturen van Jezus Christus, niet de triniteit, niet de Allerhoogste als Opperwezen, maar `er zijn voor anderen', daarin ligt de clou van de christelijke religie.

Leegte

Dus wat is die vreemde strijd over religieloos christendom? Een versleutelde vorm van de strijd om wat echt de naam `transcendent' verdient. Je mag het allemaal van hem houden, de religiositeit, de christelijkheid (hoewel? de vraagtekens die hij erachter zet, verdwijnen niet), hij praktiseerde het zelf, ook in de gevangenis. Maar het is niet wat ertoe doet, want dat is aangesproken worden door de sprekende God, ervaring van transcendentie, en die herken je waar mensen `er zijn voor anderen'. Iets om te onthouden in onze postmoderne leegte, waarin alles wat zich religieus afficheert even goed is, omdat niets van dat alles bindend is, laat staan universeel bindend.

Springstof onder de kerk, daar komt het bij Bonhoeffer op neer, hij realiseert zich dat terdege, waarschuwt zijn vriend Bethge zich niet te laten inkapselen door de restauratietendensen, zelfs niet die van de Bekennende Kirche. Maar waarvoor dan nog kerk, als het christendom de religie afschudt, de mondigheid van de mensen erkent, de wereld niet meer als jachtterrein mag opvatten?

Gerard Dekker heeft een poging gedaan daarover iets zinnigs te zeggen in Het zout der aarde. Afgezien van de titel (te veel pretentie) een handig boekje, waarin Dekker enkele van de meest belangrijke uitspraken van Bonhoeffer op een rij zet, en goed voor mensen die nog nooit met diens werk hebben kennis gemaakt. Het is iets te veel Bethge naar mijn smaak (en die houdt het wat aan de vrome kant), maar als je op zoek bent naar `de mogelijke betekenis van de kerk' (goed bescheiden gezegd) moet je niet je uitgangspunt in de bestaande kerken nemen, zelfs niet in het denken over de kerk, zoals gewoonlijk gebeurt (`kerk en wereld') maar Bonhoeffer gaan lezen, die inzet bij het leven van de christen als verantwoordelijk mens. Of in een andere formulering van Dekker: de wereld gaat voor, op een andere manier kun je niet kerk zijn. Dat de kerken daar niet aan willen is een wezenlijke kritiek van Dekkers werkboek.

Om het schip der kerk – als het dat verdient – van de zandbank te trekken waarop het zo hopeloos bezig is vast te lopen, kan nog het beste die gouden passage dienen waar Bonhoeffer aan zijn vriend Bethge meldt een christelijke geloofsleer te willen schrijven. `Was muss ich glauben?' Bekende vraag in christelijke kringen: wat moet je geloven om voor christen te kunnen doorgaan. Maar zo kom je nergens, bekent Bonhoeffer aan het slot van die passage. De echte vraag is: `Was glauben wir wirklich!' Zich die vraag durven stellen betekent het einde van geloof en theologie als een vorm van archeologie.

Eberhard Bethge: Dietrich Bonhoeffer. De biografie. Ten Have, 977 blz. €55,–

Gerard Dekker: Het zout der aarde. Ten Have, 140 blz. €14,90

    • H.M. Kuitert