Een gewone jongen tussen chic volk

Kort voor zijn dood in 1527 smaakte Machiavelli, Florentijns ambtenaar,diplomaat, theoreticus en historicus, eindelijk het genoegen eens in de praktijk te brengen waar hij in zijn Arte della Guerra en op vele andere plaatsen zo vurig over had geschreven: het daadwerkelijk opstellen van een regiment in slagorde. Dat gebeurde op een moment waarop de situatie voor de troepen van de heilige Liga tegen Keizer Karel V, waartoe Florence behoorde, deprimerend was. Organisatie ontbrak. Moreel en daadkracht eveneens. In hoge nood deed men een beroep op de bijna zestig jaar oude rot. De novelist Bandello heeft de scène later beschreven: `Messer Niccolò liet ons die dag meer dan twee uur in de zon staan om drieduizend man voetvolk op te stellen op de manier die hij in zijn boek had beschreven, maar kreeg ze niet in het gelid.'

In zekere zin is dat het drama van Machiavelli's carrière: in de praktijk wilde het nooit helemaal lukken. Niet dat hij niets ondernam. Als secretaris van de enthousiaste Florentijnse Republiek onder leiding van gonfaloniere Piero Soderini was hij tussen 1498 en 1512 haast onmisbaar als diplomaat. Niettemin mopperde hij er heel zijn actieve loopbaan over dat zijn adviezen en analyses zo slecht werden begrepen en opgevolgd. En daar ging hij mee door in het kleine decennium daarna in gedwongen retraite (na de terugkeer van de Medici en zijn ontslag), en zelfs in de coda van zijn loopbaan, toen hij weer marginaal bij de Florentijnse politiek werd betrokken. Maar, en dat strekt hem tot grote eer, Machiavelli kon blijven lachen om zijn eigen en andermans misrekeningen. Vandaar ook de titel van zijn nieuwe biografie.

Machiavelli's analyses zijn wereldberoemd geworden, of eigenlijk wereldberucht. Met name dankzij hun formulering in twee canonische politieke traktaten van de vroegmoderne periode, Il Principe en de Discorsi, hebben ze hem een duivelse reputatie bezorgd: al aan het eind van de zestiende eeuw voert Christopher Marlowe een Machiavel (als proloogspreker van de Jew of Malta) ten tonele. Die `count[s] religion but a childish toy, and hold[s] there is no sin but ignorance'. Wie religie niet serieus neemt, was in zestiende- en zeventiende-eeuws Europa als Satan. Voltaire daarentegen juicht, voorspelbaar, in de achttiende eeuw dat hij de hele Aristophanes-tekst zou willen ruilen voor één van Machiavelli's briljante komedies, de Mandragola (Machiavelli's oeuvre is veelzijdig en veel uitgebreider dan menigeen vermoedt). Herwaardering van Realpolitik heeft Machiavelli in recente tijden verder gerehabiliteerd, en zijn politieke theorie geldt als het fundament van de moderniteit. Machiavelli kijkt in zijn geschriften niet naar hoe de mensen als politieke wezens moeten zijn, maar naar hoe ze werkelijk zijn. In die zin is hij vergelijkbaar met Montaigne, die een dergelijke strategie toepaste op zijn eigen psyche, of met Copernicus, die dat deed met de sterren.

De structuur en de gevolgen van Machiavelli's ideeën zijn uitgebreid bestudeerd. Het leven van de man erachter is sinds een halve eeuw ook veel toegankelijker geworden, sinds het standaardwerk van Ridolfi (1978) en het geestige en speelse Machiavelli in Hell van Sebastian de Grazia (1989). Aan deze reeks is nu een impressionistische biografische schets van de Italiaanse, maar in Princeton docerende, politicoloog Maurizio Viroli toegevoegd.

Het lezen van een biografie van Machiavelli is verschrikkelijk leuk. Want door de overweldigende hoeveelheid rapporten, briefings, vertrouwelijke analyses, officiële en persoonlijke brieven die zijn overgeleverd, is hij veel persoonlijker kenbaar dan de meeste andere kopstukken van de Italiaanse Renaissance. Hij kan dus in een biografie werkelijk tot leven komen, en mét hem zijn tijd en zijn medestrevers. We zien hem te paard en in de taveerne, als huisvader en hoerenloper, als topdiplomaat bij vorsten en down and out op zijn boerderij. En we zien hoe onder zijn handen zich het grote drama van de Italiaanse Renaissance voltrekt: hoe Italië door het egoïsme en de stupiditeit van zijn heersers zijn autonomie aan buitenlandse mogendheden verliest, een ontwikkeling culminerend in de Sacco di Roma van 1527 door de barbaarse lansknechten van Karel de Vijfde.

Machiavelli's kenbaarheid maakt dat we over zijn schouder mee kunnen kijken, en zien hoe vaak en hoe schromelijk hij zich vergiste, maar even vaak hoe hij, ongehinderd door religieuze scrupules of onnodig ontzag voor de adel, de spijker op de kop sloeg, daarbij steevast als een Cassandra ongehoord en onbegrepen door zijn superieuren.

Net als Cicero, wiens overgeleverde correspondentie hem voor eeuwig de risee van het nageslacht heeft gemaakt omdat hij het zo verschrikkelijk vaak fout blijkt te hebben gezien, loopt Machiavelli dus een race met handicap. We weten te veel, en kunnen daarom, soms vernietigend, oordelen.

Viroli's oordeel is vaak al te positief, hoe enthousiasmerend de mens Machiavelli ook is. Zijn boek leest als een hagiografie van de gewone jongen, listig manoevrerend tussen het chique volk, altijd zichzelf, ironisch, relativerend, maar nooit wanhopend; een ware patriot, scherpzinnig analyticus en vooral een warm en genereus mens en minnaar. Dit is natuurlijk een mooi tegengif tegen de duivelse Machiavelli van de Contrareformatie en daarmee de kroon op het werk van de rehabilitatie van Machiavelli, die vooral met de Verlichting begon. Viroli heeft voor het belangrijkste deel gelijk, hoewel de retoriek van zijn overdreven lof vaak, ten onrechte, wantrouwen wekt.

Maar waarom ging het dan in de praktijk mis met Machiavelli? Was dat de door hem zo uitvoerig beschreven werking van de fortuna, die hij een universele heerschappij toedichtte? Stomme pech, geholpen door de stupiditeit van zijn meerderen? Machiavelli zelf vond dat, hoe hard de klappen van de fortuin ook zijn mogen, de ware leider daar zijn virtù tegenover kan stellen en zo het tij kan keren. Ontbrak het hem aan dat laatste? Dit kan hagiograaf Viroli natuurlijk niet onderschrijven, en hij gaat het dilemma dan ook uit de weg. Daar mist hij een kans. Want hij spreekt niet over Machiavelli's positie in het ambtelijk apparaat.

Machiavelli werkte in het kabinet van Soderini niet alleen. Zijn collega proximus bijvoorbeeld was Marcello Virgilio, een Ciceroniaans humanist – en, in Machiavelli's ogen, dus een ambitieuze windbuil. De gezwollen retoriek van veel humanisten was niets voor Machiavelli, die de realiteit wilde zien en niet de mooie woorden. Virgilio was bovendien een serviele opportunist, en dat vindt de aardige Niccolò niet leuk. Hij bakt Virgilio dan ook met twee ondergeschikten op kantoor regelmatig poetsen. Juist die poetsen zijn hem waarschijnlijk fataal geworden. Brave ambtenaren die hun baan houden ook als de wacht wisselt halen nu eenmaal geen grappen uit. Hun gezicht blijft in de plooi. De ironie is dat hij het opportunisme dat hij in zijn politieke geschriften zo hartelijk aanbeveelt, in zijn leven zelf niet aanwendt omdat hij er te aardig voor was. Machiavelli was geen Machiavellist.

Deze tournure ontbreekt helaas bij Viroli, en zo blijft het overigens vermakelijke boek enigszins steken. De glimlach van Niccolò is slordig geschreven en/of onnadenkend vertaald. De Nederlandse editie vertoont bovendien vele onnodige inaccuratesses. Jammer.

Maurizio Viroli: De glimlach van Niccolò. Een biografie van Machiavelli. Uit het Italiaans vertaald door Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd. Mets & Schilt, 317 blz. €25,–