Een dwerg in slobbertrui

BERMUDA/ NEW YORK. Aan het eind van het eiland waar ooit een fort was gevestigd kun je tegenwoordig zwemmen met dolfijnen. Dat schijnt gezond te zijn. Het meeste doe ik bij voorkeur alleen, zo ook zwemmen, maar je hebt mensen die er anders over denken. Die willen na het kerstreces op kantoor zeggen ,,wij hebben met de hele familie gezwommen met dolfijnen, en jullie?''

Dat een mens steeds weer op zoek is naar nieuwe ervaringen, daaruit blijkt wel dat de oude niet deugen.

Op een bankje in een magere zon bekijk ik gezette jonge dames die met de intelligente beesten spelen. Zij zijn de trainsters. De zwemmers, ook al zwaarlijvig, worden zachtjes in het water geduwd nadat de beesten met naam en toenaam aan ze zijn voorgesteld. Een vochtige scène. De toeristen mogen de dolfijnen ook kussen en zij maken van dat voorrecht gretig gebruik. Het zijn hoeren die dolfijnen, voor een sardientje doen ze alles.

Ik beklim de muur die het fort ooit moest beschermen tegen de vijand. Nu zijn er geen vijanden meer, nu zijn er toeristen. Maar ook die laten het afweten de laatste tijd. Het eiland is niet warm genoeg, en niet goedkoop genoeg. Geen Thailand, geen Cuba, geen Vietnam.

Elke westerse toerist is een sekstoerist, behalve als je naar Zwitserland gaat.

Over de erotiserende kant van armoede zou wel eens langer kunnen worden nagedacht. Het arme bloemenmeisje dat gered wordt door de slanke oliebaron etcetera.

Op de muur grazen schapen. Het uitzicht is verbluffend. Zee, land, magere zon en dolfijnen die een groep Engelsen liefde geven.

In Cuba, hoorde ik van een Italiaanse vriend die er regelmatig heengaat, heb je ook halve hoeren. Ze doen het niet voor geld, maar voor gymschoenen. Nike, Adidas, Puma, in alle maten en kleuren. En je mag ook hun familie ontmoeten.

Ik loop naar de schapen omdat ik ze wil aaien. Noem het sentimenteel, maar het verlangen is oprecht. Ik eet ze, aaien is minder erg dan eten. Dat is nou een opinie waarover geen discussie mogelijk is.

De schapen lopen van mij vandaan, en masse. ,,Kom op schaapjes,'' zeg ik, ,,niet weglopen, ik wil jullie alleen maar aaien.''

Niet omdat ik overweldigd ben door hun schoonheid of mij opeens hun gelijke voel, maar omdat mij een aanraking in deze omgeving als het meest natuurlijke voorkomt. Ze blijven weglopen, ze ontglippen me. En ik verlaat ze zonder mijn oude hoofd in hun vacht te hebben geduwd.

Mijn paard is een brommer, nee mijn ezel is een brommer. Het linkerbeen en de linkerarm zijn bedekt met schaafwonden. De prijs die je betaalt voor leven op asfalt en de zandweg. Maar een van de beste dingen die ik in jaren heb gedaan, op een brommer zitten. Anderen beginnen ermee op hun zestiende, maar toen zat ik in de tram. En in bus 67, wat heb ik daar veel in gezeten, hele dagen.

Het nieuwe jaar betreed ik op een feest van de Schotse gemeenschap op Bermuda. Zij nemen dronkenschap nog serieus.

Beneden in het hotel is een speelkamer voor kinderen. Er staat een pingpongtafel. In een vriendelijk kind, alleen gelaten door ongetwijfeld dronken ouders, vind ik een partner. Wij spelen, terwijl boven ons de muziek steeds dreigender wordt. Aan het eind van de wedstrijd zegt het kind: ,,Nu moet ik weer terug naar mijn man.''

Het schatten van leeftijden gaat me ook steeds minder goed af.

En dan: New York. Een man keert terug naar zijn zwaar verwarmde huis. Hij geeft de plant water, brengt kleren naar de stomerij, beantwoordt de vraag of joden nog steeds niet in Christus geloven, snijdt zich bij het scheren en wandelt dan naar Chez Le Chef.

Zijn baas is een flexibele, als hij klaar is met schrijven mag hij naar huis.

Zijn kantoor is zijn huis. Als hij van zijn slaapkamer naar de keuken wandelt voelt hij zich een forens. Soms stopt hij halverwege, bij de bank, en stelt zich dan voor dat hij in de file staat. De illusie van normaliteit weegt zwaar.

Chez Le Chef, Lexington Avenue. Le Chef is een Duitser met een grote, sierlijke, witte snor, die beweert vier talen te spreken. Als je koffie bestelt, snauwt hij: ,,Neem ook wat van mijn gebak.''

Wie kantoor aan huis heeft verlangt bij tijd en wijle naar een snauw.

Hij bouwt huizen van marsepein, Le Chef. Maar ook rendieren van marsepein als het seizoen daarom vraagt. In de wereld van Le Chef vraagt elk seizoen om rendieren.

Zo staat zijn winkel, zijn cafetaria, vol met bouwsels van marsepein. Mensen zijn er nauwelijks te bekennen. Soms komt er iemand binnen, maar die staat dan na een halve minut weer op straat.

Een begrijpelijke reactie. Alleen een man die halverwege zijn woonkamer op één been zijn evenwicht bewaart en zich voorstelt in de file te staan kan Le Chef op waarde schatten.

Aan de muur hangen knipsels en diploma's maar allemaal uit de jaren zeventig en tachtig, daarna is het kennelijk stil geworden rond Le Chef.

Bij het afrekenen zegt hij: ,,Ik maak er negen dollar van.'' En daarna bouwt hij weer snel een nieuwe poppenhuis van marsepein.

Na het bezoek aan Le Chef heb ik een afspraak met een onbekende. Ik ben dol op onbekenden want die kunnen nog tegenvallen.

Nikki heet de onbekende, wat ik voor een onbekende een uitstekende naam vind.

Twee keer heeft ze me haar manuscript opgestuurd, twee keer heb ik het ongelezen gelaten. Als je sterfelijk bent moet je kiezen. Bovendien zijn mijn meningen zelden hoopvol en opbeurend, mijn daden vaak wel, mijn meningen niet.

Echt Nederlandse vrouwen zijn een hoofd groter dan ik, soms wel twee. Wie schetst mijn verbazing dat de onbekende een dwerg blijkt te zijn. Niet echt natuurlijk, maar toch beneden mijn schouder.

Een compact geheel. Daar houd ik wel van, na al dat uitgerekte, na alles wat zich uitstrekt naar de hemelpoort.

Ze is gelukkig. Ook wel meer dan dat, maar dat gelukkige stelt me voor een raadsel.

Verreweg de meeste mensen die op me afkomen, veel zijn het er niet, zijn geslagen door het leven, of hun ouders, maar hier sta ik opeens oog in oog met een volmaakt gelukkige dwerg in een zwarte slobbertrui.

Wat wil het noodlot nou weer van me?

,,Wat maakt jou zo gelukkig, veel heb je namelijk niet?'' vraag ik.

Status interesseert haar niet, ze haat niemand, ze leeft voor muziek, maar echt ambitieus kan ze zich niet noemen, want daarvoor moet je over lijken gaan, en over lijken gaat ze niet. Eigenlijk is ze tegen alles, behalve tegen goede muziek en skiën.

In mijn beschrijvingen weerspiegelt zich het bederf, misschien is dat de geur van de lijken waarover ik ben geslopen.

,,Ik ben niet mooi'', zegt ze en werkt een handvol salade naar binnen. Maar zelfs dat vindt ze geen drama, integendeel, ze lijkt het een goede grap te vinden van de schepper.

Een mensbeeld raakt hier aan het wankelen. Vertrouwen doe ik het niet. Als mijn mensbeeld niet bestand is tegen een dwerg in een slobbertrui, wat voor mensbeeld heb ik dan eigenlijk?

,,Over geluk moet je niet liegen'', zeg ik, ,,geluk is een ernstige zaak.''

Ook haar zwarte broek slobbert, haar lichaam schijnt een lichaam te zijn dat aan het zicht moet worden onttrokken. Een verademing na al die lichamen die vechten om een plaatsje in het felle zonlicht.

Mijn gelukkige dwerg mompelt: ,,Dat maak ik zelf wel uit.'' En dan vraagt ze: ,,Weet je dat een vrouw maar zesendertig uur per maand vruchtbaar is?''

,,Nee'', zeg ik naar waarheid.

Ik dacht dat het meer was en kijk op mijn horloge.

,,Zesendertig uur,'' zeg ik, ,,dat is niets, als je naar Nieuw Zeeland gaat ben je langer onderweg.''

Het verklaart een hoop. Misschien wel alles. Die vervloekte 36 uur.

    • Arnon Grunberg