Donner: OM mag vaker zelf straffen

Het openbaar ministerie krijgt ruimere bevoegdheden om sancties op te leggen zonder tussenkomst van de rechter. Daarbij gaat het onder meer om boetes en taakstraffen.

Minister Donner van Justitie heeft verruiming van die bevoegdheid vastgelegd in een wetsvoorstel dat hij voor inspraak heeft gestuurd naar het openbaar ministerie, de Nederlandse Orde van Advocaten en de Raad voor de Rechtspraak. Pas na die consultering zal het kabinet er definitief over besluiten en het naar de Tweede Kamer sturen.

Dergelijke `strafbeschikkingen' moeten alleen kunnen worden opgelegd voor delicten waar een celstraf van ten hoogste zes jaar voor staat.

Bij verkeersdelicten krijgt het openbaar ministerie de bevoegdheid om, behalve geldboetes, het rijbewijs voor maximaal een half jaar in te trekken.

Justitie denkt aan onder meer verkeersmisdrijven, kleine diefstallen, vernielingen en economische- of milieudelicten. Recidivisten komen niet voor een dergelijke afdoening in aanmerking. Het blijft de bevoegdheid van de rechter om in dergelijke zaken te oordelen over de strafmaat.

Bij ontzegging van de rijbevoegdheid moet de verdachte worden gehoord. Als er boetes worden opgelegd van meer dan 2.250 euro moet de verdachte bij zijn verhoor kunnen beschikken over een advocaat. Vrijheidsstraffen mogen niet worden opgelegd, dat blijft de exclusieve bevoegdheid van de rechter.

Dergelijke uitbreiding van de bevoegdheden van het openbaar ministerie was in oktober vorig jaar al aangekondigd in het landelijke veiligheidsplan van de ministers Donner en Remkes (Binnenlandse Zaken).

Minister Donner wil met het wetsontwerp de hoge belasting van het rechterlijke apparaat omlaag brengen. Hij verwacht dat het aantal strafzaken door deze maatregel zal afnemen van 400.000 naar 350.000 strafzaken op jaarbasis.

Het openbaar ministerie kan nu al transacties voorleggen aan verdachten waarbij wordt afgezien van vervolging. Als de verdachte niet voldoet aan de in de transactie gestelde voorwaarden wordt hij alsnog vervolgd.

Dat gebeurt in een kwart van alle opgelegde transacties. Indien een verdachte het niet eens is met een strafbeschikking kan hij daartegen in beroep gaan bij de strafrechter. Dan volgt een gewone volledige behandeling van de zaak.