De impasse van het aanpassen

Ooit werd het vraagstuk over integratie vermeden, maar nu wordt in alle toonaarden over drang en dwang gesproken. Maar waar leidt dat toe zonder een gedeeld besef van burgerschap? Niemand is gebaat bij een botsing van loyaliteiten.

Enkele honderden mensen hadden zich verzameld in de Bottelarij, een kunstzinnige enclave in de Brusselse achterstandswijk Molenbeek, om te luisteren naar het zoveelste debat over de multiculturele kwestie. Het werd een merkwaardige avond. Zeker, er was een panel met politici, schrijvers en een woordvoerder, die keurig van mening verschilden. Maar eigenlijk werd de hele avond gedomineerd, zeg maar gerust gegijzeld, door twee afwezigen. De voormannen van het Vlaams Blok en van de Arabisch-Europese Liga waren in geen velden of wegen te bekennen, maar waren meer aanwezig dan wie ook. De impasse was zo tastbaar die avond, het gebrek aan zelfvertrouwen bij de meer gematigde politici was zo pijnlijk zichtbaar.

Wat opvalt is hoezeer het debat in Vlaanderen wordt getekend door woorden als vernedering, discriminatie, racisme en uitsluiting. En wel van beide kanten. De populistische politici weten zeker dat de gemiddelde Vlaming wordt vernederd en willen lucht geven aan opgekropte frustraties die alles te maken hebben met de snelle verkleuring van de grote steden. Daartegenover staat een gezelschap van multiculturele zaakwaarnemers, die zeker weten dat alle problemen rond migratie vooral voortvloeien uit racisme en discriminatie. In zo'n klimaat van krenking, van alomtegenwoordig wantrouwen, kan een open samenleving maar moeilijk gedijen.

We doen er goed aan dit Vlaamse debat op de voet te volgen. In Het failliet van de integratie? zijn de belangrijkste artikelen over dit onderwerp van de afgelopen jaren gebundeld, voorafgegaan van een lange inleiding van Bob van den Broeck, werkzaam aan de Universiteit van Antwerpen. In het voorjaar van 2002 was het de voorman van de Antwerpse sociaaldemocraten, Robert Voorhamme, die het integratiebeleid van de afgelopen dertig jaar voor mislukt verklaarde en stelde dat de cultuur van veel migranten de inburgering in de weg stond. En hij kritiseerde zijn eigen partij, omdat die het emancipatiestreven had verraden door geen aandacht te besteden aan de achterstelling van vrouwen in veel migrantengezinnen.

Ook Van den Broeck komt tot een kritisch oordeel: `De overheid laat stelselmatig na te verduidelijken wat zij onder multiculturalisme begrijpt, hoever het multiculturalisme de overheidsfilosofie kan en mag beïnvloeden en, in het algemeen, waarom de aanwezigheid van etnische en religieuze minderheden voor de autochtone bevolking een verrijking is. Op deze wijze groeit het multiculturalisme uit tot een knotsbegrip of dogma'. Dat gebrek aan openheid heeft bij een aanzienlijk deel van de Vlaamse bevolking tot onbehagen geleid.

In de bundel komen we ook de inmiddels bekende Dyab Abou Jahjah van de Arabisch-Europese Liga tegen. Zijn kritiek op de afstandelijke houding van de eerste generatie migranten, die werden gezien als gasten en zichzelf ook zo zagen, is een goed vertrekpunt. Een tegenstrijdigheid blijkt wanneer hij zegt te kiezen voor een `gelijkheidsmodel' en dan ineens vervolgt: `je moet niet vragen aan de zwakke, de onderdrukte, om een eerste stap te zetten'. Kortom, in één en dezelfde redenering wisselt het perspectief van burgerschap naar slachtofferschap. Wanneer Jahjah zegt dat hij `de vuile was niet buiten wil hangen' dan zijn er godzijdank tal van anderen die wel in zelfkritische zin kijken naar de gemeenschap waaruit ze voortkomen. Die openheid zal het wantrouwen doen afnemen, omdat mensen beter leren zien dat ook binnen de Marokkaanse of Turkse gemeenschap de verschillen groot zijn.

Het pleidooi tegen integratie dat dezer dagen opgeld doet in een deel van de allochtone gemeenschappen, is in menig opzicht het spiegelbeeld van het streven van het Vlaams Blok naar terugkeer of assimilatie van de migranten. Uit de bundel kan men goed opmaken dat gematigder stromingen het lelijk hebben laten afweten. En waar het midden zwijgt of stuntelt krijgen degenen die leven van deze impasse alle kans om zich te ontplooien. Dat is geen afstandelijk commentaar, want hoeveel verschillen we ook kunnen vaststellen tussen de politieke cultuur van Vlaanderen en Nederland, het is lang niet zeker dat we in Amsterdam en Rotterdam er beter in zullen slagen de maatschappelijke vrede te waarborgen dan in Antwerpen. De al jaren durende impasse rond immigratie bij de zuiderburen moet ons te denken geven. Vlaanderen zou wel eens ons voorland kunnen zijn.

Het debat in Vlaanderen heeft ook, net als in Nederland, de beperkingen zichtbaar gemaakt van veel van het sociaal-wetenschappelijk onderzoek dat wordt verricht naar de multiculturele samenleving. Vooral de verwevenheid van onderzoek en beleid, vaak ook door de directe financiering door de overheid van zulk onderzoek, is in toenemende mate bekritiseerd. De socioloog J.A.A. van Doorn sprak onlangs zelfs van `een corrumperende consensus in het minderhedenonderzoek'. In haar afscheidscollege als hoogleraar interculturele pedagogiek zei Lotty Eldering het wat omfloerster: `De opdrachtgever heeft vaak zelf te veel belang bij de uitkomsten, zodat de onderzoeker in zijn cliëntpositie zich niet vrij voelt om zijn uitkomsten te presenteren zoals hij of zijn dat wetenschappelijk verantwoord acht'.

Inhoudelijk kan de consensus waar Van Doorn over spreekt als volgt worden samengevat: immigratie is van alle tijden, er is dus niets nieuws onder de zon; de omvang van de immigratie zegt weinig over de kansen op integratie; bij inburgering gaat het overwegend om een kwestie van sociale lotsverbetering en niet om een cultureel vraagstuk; en ten slotte: democratisch ongeduld is een slechte raadgever, integratie is een kwestie van minstens drie generaties.

In de bundel Transnationaal Nederland (het 23ste jaarboek van de Wiardi Beckman Stichting) wordt deze consensus in grote lijnen verdedigd. Uitzondering is Ayaan Hirsi Ali die juist de culturele en religieuze kant van het integratieproces wil analyseren. Integratie omschrijft ze als `inwijding in de moderniteit' (let op de religieuze connotatie van de term `inwijding') en dat staat op gespannen voet met het vasthouden aan traditionele familiecultuur: `Het individu is dus volledig ondergeschikt aan het collectief. Elk kind wordt gesocialiseerd in de schaamtecultuur, waarin de begrippen eer en schande centraal staan. Waarden als vrijheid en individuele verantwoordelijkheid spelen in deze denkwereld geen enkele rol'. Op zulke stelligheid valt wel iets af te dingen, maar door die kant te belichten heeft Hirsi Ali wel scherper dan veel anderen de problemen binnen tal van migrantengezinnen onder de aandacht weten te brengen.

Bovendien maakt zij duidelijk waarom immigratie in een verzorgingsstaat wel degelijk een verschijnsel zonder precedent is: `Om te overleven bestaat er geen absolute noodzaak zich aan de Nederlandse samenleving aan te passen. Daardoor kan het moderniseringsproces tot stilstand komen in een uitkeringssituatie, waar men zich in de marge van de samenleving blijft vastklampen aan waarden en normen die de eigen emancipatie tegenwerken'. En inderdaad heeft de verzorgingsstaat krachtig bijgedragen aan het isolement van al die Turkse en Marokkaanse gezinnen, waarvan zestig procent van de mannen boven de veertig niet werkt.

Het meest programmatische opstel van de bundel is dat van Eric Snel en Godfried Engbersen, `Op weg naar transnationaal burgerschap'. Daarin leggen ze de nadruk op wat ze de pluralisering van de migratie noemen. Naast de vertrouwde migranten die zich permanent vestigen in een nieuw land en daarin als het ware opgaan zien ze een nieuw type migranten. De zogenaamde `transmigrant' verplaatst zich niet van de ene naar de andere samenleving, maar maakt van beide samenlevingen tegelijk deel uit. Ze zijn zo de voorbode van nieuwe, transnationale gemeenschappen die de grenzen overschrijden.

Tegen die achtergrond zien ze zowel het streven naar assimilatie als het multiculturalisme als `verouderde leerstukken', die niet meer van toepassing zijn op deze nieuwe realiteit. Wanneer migranten zich steeds minder oriënteren op het land van aankomst en meer op transnationale activiteiten, dan is elke gedachte aan assimilatie achterhaald. Maar ook het multiculturele beeld van een mozaïek van naast elkaar bestaande culturen is niet meer van deze tijd van dynamiek en vermenging van culturen.

Dat lijkt een samenhangende benadering, maar dan komt ineens een interessante wending, die laat zien hoe dun het begrip van een transnationaal burgerschap is: `Culturele hybridisering kan pas ontstaan bij de gratie van relatief hechte nationale culturen'. En zo gaan de auteurs verder: `de vermenging van culturen kan pas bestaan bij gratie van solide verzorgingsstaten waarbinnen sociale principes van recht, rechtvaardigheid en herverdeling een belangrijke rol spelen'.

Als dat waar is, dan blijft de dwingende vraag over: wie zorgt er eigenlijk voor het onderhoud van die `solide verzorgingsstaten' en wie voelt zich erfgenaam van die `relatief hechte nationale culturen'? Anders gezegd: wie is nog verantwoordelijk in een wereld die zo in beweging is? Toch niet in de eerste plaats de transnationale migranten, die wel gebruik maken van de mogelijkheden van het `sociale contract', maar volgens Snel en Engbersen niet werkelijk zijn geörienteerd op de ontvangende samenleving? Zonder burgers gaat het niet en een samenleving die grote groepen kent die zich niet of nauwelijks onderdeel daarvan voelen, heeft een probleem.

Deze vraag vormt ook de leidraad voor de bundel Nederland multicultureel en pluriform? In negen zeer uitvoerige, sociaalwetenschappelijk en filosofisch getinte beschouwingen, worden tal van begrippen die in het multiculturele debat een hoofdrol spelen nader onderzocht. Hoewel de essays niet allemaal even helder zijn, wordt er veel belangwekkends gezegd. Daarbij gaat het vooral om de plaats van het begrip `cultuur'. Het zal niet verbazen dat de auteurs veel deelnemers aan de publieke discussie over integratie een onzorgvuldig gebruik van dit complexe begrip verwijten.

Vrijwel alle auteurs zetten zich af tegen wat de `culturalistische' benadering van integratie wordt genoemd. Cultureel antropoloog Hans Vermeulen noemt in een genuanceerde beschouwing over `cultuur en ongelijkheid' drie kenmerken van deze door hem bekritiseerde zienswijze: de neiging om culturen te zien als homogene eenheden, die scherp van elkaar zijn afgebakend; voorts het beeld van mensen als passieve cultuurdragers, als zouden culturen menselijk gedrag volledig en buiten de betrokkenen om bepalen; en tenslotte de opvatting van cultuur als traditie, waarbij alle nadruk ligt op continuïteit en niet op creativiteit, op cultuur als een open `project'. Hij en anderen onderstrepen vooral het dynamische karakter van culturen, die innerlijk tegenstrijdiger zijn dan gangbare stereotypen willen.

Ondanks die terechte relativering, is het niet zo dat culturele verschillen geheel worden weggeredeneerd uit de verklaring van bijvoorbeeld sociale ongelijkheid of criminaliteit. Zo merkt Vermeulen op: `De culturele dimensie is van belang in de studie van sociale mobiliteit van immigranten en hun nakomelingen. Maar culturele patronen dienen, waar mogelijk gerelateerd en begrepen te worden in relatie tot voorafgaande structurele omstandigheden'. Zo schetst hij bijvoorbeeld de veranderende houding in Turkse gezinnen tegenover het onderwijs: `Het impliceert ook meer investeren in de onderwijscarrière van de kinderen en minder in de oude sociale verplichtingen in Turkije'. Bovendien veranderen daardoor de relaties binnen het gezin, bijvoorbeeld omdat dochters meer vrijheid buitenshuis krijgen.

In een breed uitwaaierende beschouwing voegt de filosoof Sjaak Koenis zich in de reeks afwijzende commentaren op het `culturalisme'. Aan de hand van de debatten over hoge en lage cultuur, over integratie van allochtonen en de nationale identiteit komt hij tot deze conclusie: `Politiek gaat niet om het versterken van cohesie, maar om het organiseren van verschil, om het bedenken en uitwerken van ideeën, het treffen van voorzieningen en het scheppen van instituties om te voorzien in al die situaties waarin gedeelde normen en waarden ontbreken, waarin mensen fundamenteel uiteenlopende concepties van het goede leven hebben, en waarin ze desalniettemin moeten leren samen te leven'.

Hier duikt eigenlijk dezelfde vraag op als bij `transnationaal burgerschap'. Het is zonneklaar dat in een pluralistische democratie mensen zich niet zullen scharen rondom een gedeeld idee van het goede leven. In een land dat zo divers is zullen ook de normen en waarden uiteenlopen. Maar wat is nu precies het onderscheid tussen de `organisatie van het verschil' en het `versterken van de cohesie'? Als we het verzuilde Nederland in de herinnering roepen, dan is het toch duidelijk dat de levensbeschouwelijke verschillen destijds niet ontaardden in een permanent conflict omdat er ook bronnen van gemeenschappelijkheid waren? Een gedeelde taal, een algemeen aanvaarde grondwet en het besef deel te hebben aan een geschiedenis, hoezeer die ook uiteenlopend werd uitgelegd. Meer dan zo'n beperkte overeenstemming is niet nodig om het meningsverschil te `organiseren', maar die samenhang moet dan wel worden onderhouden en telkens bij de tijd worden gebracht.

En daar zijn burgers voor nodig die zich verantwoordelijk voelen voor de samenleving waar ze deel van uitmaken. Opvallend in deze bundel is echter het ontbreken van een beschouwing over zulk burgerschap in een multiculturele samenleving. Dat is een algemener bezwaar: de aanhoudende stroom publicaties over de multiculturele samenleving schept vooralsnog onvoldoende helderheid, omdat het daarin te weinig gaat om de samenleving als conflicterend geheel, om wat we als burgers met al onze verschillen zouden moeten delen.

De onderzoeker Ruben Gowricharn heeft zich herhaaldelijk afgezet tegen een dwang tot assimilatie (`witwassen'), die hij vermoedt achter het debat over integratie. Maar waar hij een samenhangend offensief ziet van de meerderheid, valt bij nader inzien eerder een grote innerlijke onzekerheid op. Zeker, woorden als drang en dwang rollen in de huidige verkiezingscampagne erg makkelijk uit ieders mond en het is inderdaad geen goed idee om inburgering verplicht te stellen maar dan niets te doen als die verplichting niet wordt nagekomen. Dan is de eerste indruk die nieuwkomers in Nederland krijgen er een van een land dat zijn eigen wetten niet nakomt.

En toch valt temidden van alle dadendrang vooral de onzekerheid op. Waar zo lang weinig is gezegd, moet nu ineens alles worden gezegd. Al die jaren van vermijding zijn omgeslagen in aandrang. Maar het is wel zeker dat het gevoel deel te zijn van een samenleving niet kan worden afgedwongen. Sterker nog, ongerichte dwang kan de culturele afstanden groter maken dan ze nu al zijn. En dat zien we ook gebeuren: de terugtrekkende bewegingen kan men nu al in veel migrantengemeenschappen waarnemen. Het risico is dat we in een spiegelgevecht van loyaliteitsverklaringen belanden, en iedereen weet dat zulke botsingen nooit een winnaar kennen. De houding die we in allochtone kringen nu veel zien, is een mengeling van `wat willen jullie nu eigenlijk van ons?' en `laat ons in hemelsnaam met rust'.

In die houding schuilt te vaak een verongelijkte toon, maar wie er op uit is om de afstanden kleiner te maken, moet wel iets overtuigends op deze vragen kunnen terugzeggen. En dat is vooralsnog niet het geval. Een gevoel van `dit is nu ook ons land' kan alleen maar ontstaan als gevolg van een vrije keuze, waartoe migranten worden uitgenodigd, en uitgedaagd, door een samenleving die zelf een sterke cultuur van burgerschap kent. Maar juist die traditie is verwaarloosd. De onzekerheid die het debat over integratie nu kenmerkt vloeit voort uit dat tekort. Het is niet gemakkelijk om een plek te vinden in een samenleving die zo met zichzelf overhoop ligt.

Jan Lucassen en Arie de Ruijter (red): Nederland multicultureel en pluriform? Een aantal conceptuele studies. Aksant, 408 blz, €27,50

Frans Becker e.a. (red): Transnationaal Nederland. Drieëntwintigste jaarboek voor het democratisch socialisme. De Arbeiderspers, 208 blz. €17,95

Bob van den Broeck en Marie-Claire Foblets (red): Het failliet van de integratie? Het multiculturalismedebat in Vlaanderen. Acco, 259 blz. €24,50

    • Paul Scheffer