Dansend stinkdier waarschuwt nog één keer

Tjonge, wat is de natuur toch mooi. Je krijgt er soms tranen van in de ogen. Misselijk, met je gezicht vol rode vlekken, sta je je kleren te wassen.

Gefeliciteerd, je hebt kennis gemaakt met een stinkdier. Een echte beroemdheid. Veel zoogdieren doen, als hun dat zo uitkomt, hun best behoorlijk te stinken. Maar stinkdieren zijn al jarenlang met gemak de kampioen. Ze verdedigen zich met een venijnig vocht. Een knap soort traangas waar je ook nog eens van moet kokhalzen. Daarmee kunnen ze schieten. Weleens van chemische oorlogsvoering gehoord? Die hebben zij uitgevonden. Gelukkig lopen stinkdieren meestal in hun eentje rond. Anders konden wij wel inpakken.

Ze vertonen hun kunst in Noord-Amerika. Daar hebben ze een lekker viezige naam: skunk. Dat klinkt zo'n beetje als ze ruiken. Hun sproeimiddel maken ze in twee speciale klieren, net onder hun staart. En via twee andere klieren – anaalklieren, die je hond ook heeft – spuiten ze die naar buiten. Als door de loop van een pistool. Hun geurpistolen kunnen ze draaien, zodat ze heel precies kunnen richten. Ze mikken over een paar meter. Als ze een aanvaller in het gezicht raken, is die een tijdje blind. En zwaar misselijk van de bijzondere lucht.

Maar, eerlijk is eerlijk, ze waarschuwen je wel. Dat is wel weer netjes van ze. Er zijn gestreepte en gevlekte stinkdieren. Ze hebben een opvallende vacht, in knallend zwart-wit. Zo weet je al van ver met wie je te doen hebt. Doe je dom, dan zwaaien ze beleefd ook nog maar een waarschuwingsvlag hoog in de lucht: hun staart.

Als het gevaar blijft, maakt het gevlekte stinkdier het wel heel mooi. Nog hoger die vlag! Hij gooit zijn achterpoten de lucht in, en maakt een handstand.

Op zijn korte voorpoten stampend loopt hij zo rondjes. Zijn gevaarlijke achterwerk zweeft soepeltjes boven zijn kop. En als je het dan nog niet wil begrijpen, tja, dan moet je het zelf maar weten. Hij keert je de rug toe. Terwijl je nog benieuwd toekijkt, richten zich twee kleine pistolen. Dan krijg je de volle laag.

Iedereen kan zo'n behandeling krijgen. Ook een wat verstrooide wolf, een domme vos of een jonge hond die nog vrolijk de wereld wil uitproberen. Het is een leerzaam stanklesje. Veel dieren en mensen kennen het stinkdier dus maar al te goed. En dat is precies zijn bedoeling. Zo word je tenminste met rust gelaten. Het werkt fantastisch. Amerikanen doen vaak een beetje raar en overdreven, maar nu hebben ze een keer gelijk. Met een stinkdier moet je oppassen.

De echte stinkdieren hebben in Nederland verre familie wonen: bunzingen. Die stoere roofdieren doen ook hun best. Ze stinken als, ja, bunzingen. Het zijn misschien wel de leukste wilde dieren van Nederland. Maar maak ze niet bang, boos, of allebei tegelijk. Dan krijg je wat te ruiken, ook al richten ze niet echt op je.

Bunzingen zie je weinig. Toch ruik je ze vaker dan je zou denken. Tamme fretten hebben erg veel van bunzingen, en sommige mensen houden die als huisdier. Frettenliefhebbers ruiken dat van elkaar. Andere mensen meestal ook. De geur van fretten valt meestal best mee. Gewoon een gezellig luchtje, als van het roofdierenhuis in de dierentuin. Maar maak vooral niet een frettenmannetje per ongeluk verschrikkelijk aan het schrikken. Uit zijn onderlijf tovert hij bozig een knappe walm tevoorschijn. Je weet niet wat je ruikt.

Handig. Want welk groter roofdier zet nou zijn tanden in zo'n stinkhap? En jij hebt ook al geen honger meer. Daar gaan we weer, kleren wassen.

    • Frans van der Helm