Blijf oppassen voor dat ene linke putje!

Volgens een bekende anekdote (verteld door Diogenes Lartius) liep Thales van Milete op een avond zo aandachtig naar de sterren te turen, dat hij per ongeluk in een put viel. Waarop een toegesnelde oude vrouw zou hebben uitgeroepen: `Hoe kun je verwachten alles over de hemel aan de weet te zullen komen, Thales, als je niet eens kunt zien wat vlak voor je voeten ligt?' Naar deze anekdote verwijst de Vlaamse dichter en schrijver Stefan Hertmans in de titel van zijn nieuwe essaybundel, een ruime keuze uit zijn productie van de afgelopen tien jaar, Het putje van Milete.

Waarom? In elk geval niet om zich vol leedvermaak bij die oude vrouw aan te sluiten. Eerder integendeel, filosofen die de grote fundamentele kwesties uit de weg gaan en zich nog alleen met kleine concrete zaken bezighouden, hebben niet zijn voorkeur. Maar de kans op een onverhoedse val, zij het nu een figuurlijke, is nog altijd even groot als in de tijd van Thales, betoogt Hertmans in het titelessay naar aanleiding van Martin Heidegger, Peter Handke en Botho Strauss. De eerste sloot zich aan bij de nazi's, de tweede liet zich gebruiken als propagandist voor de Servische zaak, de derde kwam terecht in een extreem-rechts gezelschap. Allemaal als gevolg van een gebrek aan aandacht voor de directe historische werkelijkheid.

Bij Heidegger spreekt Hertmans van een `pijnlijke breuk tussen leven en werk'. Maar pijnlijk voor wie? Ik zou zeggen: in de eerste plaats voor de democraat Hertmans, die zich niet kan voorstellen dat een groot filosoof iets in Hitler heeft gezien. Want was Heidegger echt de `bange, provincialistische man die maar één ding wou: zich van voldoende rust en afgezonderdheid verzekeren om zijn gigantische project uit te werken'?

Ik geloof er niets van en vraag me af waar Hertmans zijn wijsheid vandaan heeft: toch niet uit Safranski's Heidegger-biografie, waarnaar in het essay wordt verwezen? Laten we het erop houden dat Hertmans niet zo veel van Heidegger weet of gewoon wat minder op dreef was. Het essay bevat wel meer eigenaardigheden. Wat is er bijvoorbeeld zo `potsierlijk' aan de (in 1923 door de Fransen geëxecuteerde) `naziheld' Schlageter? Verder lijkt Abraham a Sancta Clara (1666-1702) mij geen `laatmiddeleeuwse purist' en stond Plato's `school' niet in Syracuse, maar in Athene – in Syracuse zou Plato zich, tot twee keer toe, in een dubieus politiek avontuur hebben gewaagd.

Voordat men nu de indruk krijgt dat Hertmans maar raak schrijft, wil ik met nadruk verklaren dat de overige essays, voor zover ik het kan overzien, niet door zulke missers worden ontsierd. Meegesleept door zijn eigen welsprekendheid kan Hertmans soms een zekere wijdlopigheid niet onderdrukken, maar hij schrijft altijd met flair en hij neemt zijn lezers serieus, door kwistig te strooien met filosofische aperçus en verwijzingen (die niet op de hurken worden uitgelegd) en door belangwekkende zaken aan te snijden.

Objectivering

Terug naar het putje van Milete, dat niet toevallig voor de titel van de bundel is uitgekozen. Vooral in het eerste deel (dat essays over algemene kwesties bevat; in het tweede deel komt alleen de literatuur aan de beurt) symboliseert dit putje alles wat Hertmans hoopt te vermijden: bijvoorbeeld de objectivering van de eigen visie, waardoor filosofie ongemerkt in `ideologie' verandert, iets wat te merken zou zijn zodra je over `natuurlijk' en `evident' begint te praten.

Maar ook het universalisme, zowel dat van het christendom als van de Verlichting, blijkt zo'n valkuil, want achter alle universalistische pretentie gaat een typisch westers gedachtegoed schuil. De meest recente versie ervan heet `globalisme' en doet, in zijn technologische gedaante of vermomd als `wereldliteratuur', wat elk universalisme altijd heeft gedaan: het elimineert `het andere' door het te absorberen. En dat, aldus Hertmans, terwijl we dat `andere' juist nodig hebben om onszelf te zijn.

Merkwaardig is wel dat hij vervolgens schrijft: `Elke cultuur heeft recht op haar eigen wereld'. Is dit `recht' dan niet iets typisch westers dat hier een universele strekking krijgt? Zo simpel is het nog niet om het putje te vermijden, zoals ook Hertmans zich realiseert. Zijn typisch `postmoderne' kritiek keert zich immers tegen de `respectabele erfenis van het humanisme', waarvan hij – in elk geval op het gebied van recht en moraal – niet af wil, bij gebrek aan een `waardig alternatief'.

Misschien zou Hertmans wat minder ethisch moeten worden en wat meer moeten accepteren dat recht en moraal de facto altijd met macht zijn verbonden. Voor een schrijver lijkt dat me nog niet zo'n gek uitgangspunt: minder illusies en meer realisme. Hoewel Hertmans zich tracht te wapenen tegen al te zelfgenoegzame illusies, getuige zijn instemming met lastige en lucide criticasters van de progressieve goegemeente als Martin Walser, Peter Sloterdijk en Slavoj Žizek, blijft de literatuur voor hem in laatste instantie een ethische aangelegenheid, gedreven door het `verlangen naar de ander'.

Drift

Maar opgepast voor het putje! Hertmans sympathiseert met Walsers verdediging van de literaire taal van de `ervaring' tegen de politiek correcte `slogans'; daarin schuilt het `engagement' of liever de specifieke moraal van de literatuur. Alleen mag die moraal nooit worden verabsoluteerd tot een uitgesproken ethiek. Het schrijven moet juist zijn eigen `tekort', gevolg van de `intieme gênante drift' waaruit het voortkomt, tot uitdrukking laten komen. Met als gevolg deze dubbelzinnige opdracht: `In het volle bewustzijn van de onmogelijkheid van een zuiver morele positie moeten we dus blijven doen alsof het wél mogelijk is, maar zonder ons erop te laten voorstaan.'

Ziedaar waar je uitkomt, als je probeert recht te doen aan de zo uiteenlopende ideeën van Adorno, Heidegger, Foucault, Lacan, Baudrillard en anderen, én tegelijkertijd vasthoudt aan je eigen morele – progressieve en emancipatoire – intenties. Het kost wel eens moeite Hertmans' kronkelpad te volgen. Maar dat hier iemand aan het woord is, die het zichzelf niet onnodig gemakkelijk heeft gemaakt, staat buiten kijf.

Desondanks weet af en toe de onversneden morele verontwaardiging door alle dialectische finesses heen te breken, zoals in het merkbaar uit woede en verbijstering geschreven stuk over de malaise (Dutroux, Witte Marsen, corruptie) in het `surrealistische' België. De ervaring daarmee moet de blik op buurland Nederland hebben gescherpt, want ook de korte maar krachtige analyse van de `postmoderne moord' op Pim Fortuyn, in Hertmans' ogen de belichaming van de `politiek als mediaspektakel', mag er wezen.

Vergeleken met de even veeleisende als stimulerende teksten in het eerste deel is het uitsluitend aan de literatuur gewijde tweede deel (met essays over onder anderen Claus, Gilliams, Beckett en Borges) minder opzienbarend. Het best bevielen mij de paar stukken over recente Vlaamse schrijvers en dichters. Met een voorkeur voor Hertmans' avontuurlijke verkenning van de weerbarstige poëzie van Peter Verhelst boven het liefdevolle maar wat al te vroom uitgevallen essay over Herman de Coninck (die na zijn dood enkel treurende vrienden en bewonderaars lijkt te hebben achtergelaten).

Eerlijk gezegd ben ik nog nooit enthousiast geweest over het werk van Verhelst. Maar lees ik Stefan Hertmans, dan begint de twijfel te knagen: misschien heb ik onvoldoende mijn best gedaan. Verhelsts `schaamteloos frummelen aan het sublieme' en het puur `televisuele' karakter van zijn gedichten, zoals Hertmans het met een neologisme noemt, prikkelen de verbeelding, en dat geldt in nog sterkere mate voor de vergelijking van Verhelsts verontrustende gedichten met de `herinneringen van een stel uitgesneden, kloppende hersens op de tafel in een folterkamer'.

Wie zou die `herinneringen' niet willen lezen of herlezen, nadat ze door de essayist en de dichter Hertmans, in eendrachtige samenwerking, zo plastisch zijn aanbevolen?

Stefan Hertmans: Het putje van Milete. Meulenhoff. 407 blz. €22,50

Van Stefan Hertmans verscheen ook een bundeling van zijn stukken over de `duivelskunstenaar' Jan Fabre: Engel van de metamorfose, Meulenhoff. 123 blz. €12,50.

    • Arnold Heumakers