Altijd je ogen open houden

Er zijn mensen die de geschiedenis van de filosofie zien als een gesprek over eeuwen heen tussen Plato, Aristoteles, Descartes, Kant, Nietzsche, Heidegger en anderen. Slechts twee filosofen uit dit rijtje hebben ook daadwerkelijk met elkaar gesproken: Plato en Aristoteles.

De verschillen tussen die twee zijn groot. Aristoteles was niet zo'n lenig denker en schrijver als Plato, die Socrates in dartele volzinnen jongens laat overtuigen van zijn standpunt. Hij was zeker ook niet een filosoof als Plato die zijn toevlucht zoekt tot een transcendente ideeënwereld die we ons alleen kunnen herinneren, maar waartoe we in dit bestaan geen toegang hebben. Plato was meer een wiskundige, Aristoteles vooral een bioloog die vertrouwt op de zintuiglijke waarneming, zoals blijkt uit de beroemde openingspassage van zijn Metafysica: `Alle mensen streven van nature naar kennis. Dit blijkt onder meer uit het feit dat we houden van de zintuiglijke waarneming.' Het eerste boek van deze Metafysica is nu vertaald en van een inleiding voorzien door Carlos Steel. Hierin bespreekt Aristoteles het werk van zijn voorgangers, waarbij hij uiteraard speciale aandacht aan Plato besteedt. Hij is daarmee een van de eerste historici van de wijsbegeerte, zoals hij van meer filosofievakken de systematische grondlegger is geweest.

Aristoteles begint met twee passages over wijsheid en oorzaken – in deze uitgave overzichtelijk als aparte hoofdstukken gepresenteerd. Volgens Aristoteles is de hoogste wijsheid theoretisch. Een drogist die je een middeltje aan de hand doet waarvan je kwaal geneest, bezit minder wijsheid dan een medisch specialist die weet waarom dat middeltje werkt, omdat hij de oorzaken van de kwaal kent. Oorzaken en beginselen zijn voor Aristoteles kernbegrippen van de metafysica. Zijn kritische bespreking van andere filosofen begint dan ook met zijn analyse van oorzaak, waarna hij zijn voorgangers verwijt dat zij onvoldoende hebben nagedacht over dit begrip.

Hoogtepunt is zijn aanval op Plato's ideeënleer, die volgens hem niet kan verklaren `wat de ideeën bijdragen aan de zintuiglijk waarneembare dingen'. Waarom zouden we moeten aannemen dat er zo'n abstract ideeënrijk bestaat? Ideeën kunnen niet verklaren waarom dingen bestaan, hoe wij zintuiglijk waarneembare dingen kunnen kennen en waarom die bewegen en veranderen.

De vertaling van Carlos Steel is vlot leesbaar, zij het hier en daar wat al te populair. Zo wordt van beginselen gezegd dat ze `als opstap kunnen worden gebruikt naar het hogere van de werkelijkheid'. Zijn inleiding is verhelderend, maar wordt ontsierd door een slotparagraaf waarin Aristoteles' vooruitgangsdenken' vanuit Heideggeriaans perspectief wordt aangevallen. Dit terwijl Aristoteles' metafysica nog steeds actueel is. Onze werkelijkheid is er een waarin objecten zintuiglijk waarneembare eigenschappen bezitten, waardoor we ze kunnen kennen. Aristoteles heeft hierin eenvoudigweg gelijk. Dat zal hij ongetwijfeld ook aan zijn buurman op Plato's Academie gezegd hebben.

Aristoteles: De eerste filosofie. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Carlos Steel. Historische Uitgeverij, 96 blz. €17,95

    • Menno Lievers