Allemaal in één bed

Een stoel was altijd een stoel en een glas was een glas. Maar wat zat er in de glazen? En welke financiële en symbolische waarde vertegenwoordigden gewone zaken vroeger? Twee studies over de materiële cultuur van onze voorouders zoeken antwoorden.

Wanneer de spreekwoordelijke tijdmachine nu eens voor één keer zou werken en we voor één dag mochten logeren bij een doorsnee Nederlandse familie van driehonderd jaar geleden, dan zou ons één ding opvallen: we weten niet hoe ons te gedragen. In het eenvoudige, lage, slechtverlichte en rokerige huis zouden we al direct de weg kwijt raken. Maar als we de gastheer hebben gevonden, hoe stellen we ons dan voor? Wie gaat het eerst zitten? En op welke stoel of bank? Is dat glas wijn een hele eer, of is dat een restje voor een ongenode gast? Hoe laat gaan we aan tafel, of moet ik het hele gezin uitnodigen voor de herberg op de hoek? Hoe doe ik het trouwens met het gebed? Komt er na die stampotterige schotel nog een toespijs, of is de brij in die houten nap bedoeld als ultieme lekkernij? Hebben ze wel eens van tandenborstels gehoord en is het een voorrecht dat ik op een strozak slaap met twee kinderen en de meid?

Ook al zijn we in Nederland, toch bevinden we ons, zoveel is wel onbehagelijk duidelijk, in een vreemd land waar ze de dingen anders doen. Het verschil zit hem niet zozeer in de voorwerpen – een glas was ook toen een glas en een stoel was een stoel –, maar in hun symbolische betekenis. Van de omgang met de dingen en met elkaar, begrijpen we niets. We zouden een onbeholpen vreemdeling zijn, in eigen land. Dergelijke gedachten dringen zich op bij het lezen van Raffaelle Sarti's mooie en veelzijdige boek over de leefcultuur van het Europese gezin.

Over alledaagse voorwerpen, die in elk huishouden voorkwamen, is veel geschreven. Er bestaan studies over tafels, stoelen en glazen, over ledikanten en naaigerei, over porselein en aardewerk, over de bril, de neusdoek en de wandelstok. Maar de meeste van die studies zijn stilistisch of anekdotisch van aard: we lezen daarin over de ontwikkeling van de vormen en soms iets over de technieken en materialen. Veel minder komen we te weten over het gebruik en de maatschappelijke en symbolische betekenis ervan.

Pas tamelijk recent zijn er studies over materiële cultuur verschenen, naar het hele complex aan materiële objecten in een huishouden. De bronnen bij dergelijk onderzoek zijn behalve de objecten zelf ook teksten (boedelinventarissen, brieven, dagboeken) en afbeeldingen. Elk van die bronnen kent zijn zwaktes: de boedelinventaris is een momentopname en misschien heeft de notaris iets over het hoofd gezien. Schilderijen, prenten en tekeningen zijn niet bedoeld als documentaire verslaglegging.

Sarti, een Italiaanse historica verbonden aan de universiteit van Urbino, vat het huishouden op als een bedrijf, waarin geproduceerd en geconsumeerd wordt. Systematisch behandelt ze een reeks aspecten van dat bedrijf: de architectuur van het huis, het meubilair, kleding, eetgerei en alle functies die daarbij horen zoals slapen, eten, wassen, koken en bovendien de financiële en de symbolische waarde die ze vertegenwoordigden. Ze schrijft over de paleizen van de koningen en hertogen, maar ook over de boerenstulpjes en de ellendige hutjes aan de rand van de Europese steden. Pendelend tussen de concrete observatie en de grote lijn laat ze zien hoe heel langzaam huizen veiliger werden – want van steen –, hoe de verwarming beter werd en vooral dat er kamers met aparte functies ontstonden: de zitkamer, de eetkamer, de keuken, de vertrekken voor kinderen en voor het personeel en de slaapkamer voor de ouders. Alleen al aan de slaapkamer en de rol van het bed wijdt ze een hoofdstuk. Het was heel gewoon dat verschillende leden van het gezin, soms inclusief personeel bij elkaar in een bed sliepen. Niet alleen uit ruimtegebrek en om elkaar warm te houden, maar ook omdat een goed bed zo duur was. In Franse dorpen maakte het veertig procent van het totale vermogen van kleine boeren uit.

Privacy

Sarti toont ook aan welke gevolgen de specialisaties van de ruimtes had voor de onderlinge omgang van de inwonenden. Men kreeg meer privacy, er ontstond een grotere afstand tussen ouders en kinderen en ouders en personeel. Men werd minder gehinderd door rook, kooklucht en de geur van menselijke en dierlijke uitwerpselen, er kon zelfs in afzondering worden gelezen. Kortom, de verandering van de materiële omgeving begon ook meer gelegenheid te bieden tot een inividualistische levensinstelling.

Europe at home is een ambitieus boek. Moeiteloos schakelt Sarti over van Sardinië naar Oslo en van Dublin naar Krakau, maar het zijn altijd excursies vanuit Noord-Italië, of liever gezegd vanuit Bologna, waarover Sarti veel heeft gepubliceerd. De grote greep is ook de zwakte van het boek en Sarti is zich daarvan bewust. Het is onmogelijk alle bestaande literatuur te verwerken; het is ook ondoenlijk om recht te doen aan alle regionale (en dus ook klimatologische) verschillen, aan katholieke en protestantse gebieden, aan arm en rijk en aan stad en land. Het is het probleem van elke generalist. Maar eens in de zoveel tijd moet iemand het doen.

In haar behandeling van eetpatronen behandelt Sarti tafelmanieren, het soort voedsel – doorgaans monotoon –, de voedselbereiding en ook de dranken die geschonken werden. Aan de veranderingen in het drinkpatroon wijdt zij maar een paar observaties. Over biergebruik bijvoorbeeld schrijft ze: `In eighteenth-century Paris, England and Holland (but not Germany), consumption fell because of competition of spirits.' Dit is generaliserend en achter deze zin strekken zich grote veranderingen uit in productie- en consumptiepatronen. Hoe dat zich in detail voltrok, valt te lezen in de dissertatie van Cora Laan, die daar vorige week op promoveerde, Drank & Drinkgerei. Dit boek is het tegendeel van dat van Sarti – maar wel het soort studie waar zij het van moet hebben.

Het gaat niet over Europa en eigenlijk ook niet, zoals de ondertitel doet vermoeden over `de Hollanders', maar over de inwoners van Vlaardingen en Delft in de tweede helft van de achttiende eeuw. Het uitgangspunt was zelfs nog kleinschaliger: het veranderend eet- en drinkpatroon van de gasten van herberg De Visscher in Vlaardingen, waarvan in 1990 de afvalput werd blootgelegd. Hieruit kwamen glazen naar boven, flessen, borden, pijpen, kortom van alles waaruit en waarvan men gegeten heeft. Men schonk er alcoholische dranken (bier, brandewijn, gedestilleerd), koffie thee en chocolade. De inhoud hiervan vergeleek Laan met de gegevens uit een boedelbeschrijving van de herberg en met materiaal uit drie afvalputten in Delft. Ook zij combineerde objecten met schriftelijke en visuele bronnen.

Uit al deze bronnen blijkt de onstuitbare opmars van koffie en thee. Men ging ook meer wijn en gedestilleerd drinken en dat alles had een afnemend biergebruik tot gevolg. In grote lijnen was dat wel bekend, alleen het is nu veel preciezer voor twee steden in kaart gebracht. Omdat de afvalputten bij onderling verschillende milieus behoorden, is ook aantoonbaar dat de gegoede burgerij bij het veranderend drinkpatroon het voorbeeld gaf.

Pijpje

Opvallend is de hoge kwaliteit van het koffie- en theegerei van arm en rijk. Het is nieuw, kwalitatief goed en dus duur. Men pronkte ermee. Juist in de achttiende eeuw schreef een arts hoe een zeventiende-eeuwer zich zou vergapen als hij een eeuw vooruit in de tijd zou zijn gereisd. De nieuwe dranken zijn zo populair, merkte hij op, dat `genoegzaam alloude vaderlandsche dranken door uit de mode geraakt zyn'. En dat niet alleen. De tijdreiziger zou ook verbluft staan over alle drinkgewoonten die daarmee gepaard gingen en het nieuwe drinkgerei. Stonden er in zijn eigen tijd nog rekken vol schotels van zilver, aardewerk, koper en tin `zoo glad geschuurd als, dat ze als spiegels blonken', nu zouden de rekken `opgepropt met kleene theekopjes en schoteltjes ... hen verwonderd doen staan'. Men hechtte duidelijk aan de koffie- en theeceremonie. In de herberg in Vlaardingen was dan ook een aparte binnenruimte waar men koffie en thee dronk, een pijpje smoorde en waar men een maaltijd kon gebruiken. In een ander, meer publiek deel, dat aan de straat grensde, nuttigde men alcohol: wijn, jenever, brandewijn en mede (een gegiste honingdrank). Hoe veranderd de mores van het drinken ook zijn, juist op die plek zouden wij ons als tijdreiziger nog het beste weten te gedragen. Ze zijn daar ingesteld op vreemdelingen.

Rafaelle Sarti: Europe at Home. Family and Material Culture, 1500-1800. Yale University Press, 324 blz. €41,50. De Nederlandse vertaling verschijnt in het voorjaar bij uitgeverij Ad. Donker.

Cora Laan: Drank & Drinkgerei. Een archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek naar de alledaagse drinkcultuur van de 18de-eeuwse Hollanders. De Bataafsche Leeuw, 232 blz. €39,50

    • Roelof van Gelder