Wouter Bos moet in de Kamer blijven

Niet alleen tijdens verkiezingscampagnes moeten partijen de trom roeren, ook in het parlement. Daar kunnen partijleiders een belangrijke bijdrage leveren aan de repolitisering van de politiek, meent D.J. Elzinga.

Onder het kabinet-Balkenende was van enig dualisme nauwelijks iets te bespeuren

Durft Wouter Bos het premierschap niet aan als de PvdA de grootste wordt? Is hij bevreesd voor het mogelijke afbreukrisico? Of zijn er ook andere belangen mee gediend om in de Tweede Kamer plaats te nemen? Slechts enkele keren kwam het in de recente periode voor dat leiders van de grootste partij niet als minister-president in het kabinet plaats namen: Piet de Jong was geen partijleider en Dries van Agt maakte plaats voor Lubbers. Het vroegere voorbeeld was vooral Romme, de leider van de KVP, die vanuit een sterke parlementaire positie opereerde. In 1948 had de KVP als grootste partij aan Willem Drees reeds het premierschap gegund. In 1959 bleef partijleider Romme in de Tweede Kamer en werd De Quay minister-president.

De stelling derhalve dat de leider van de grootste politieke partij per se ook voor het premierschap zou moeten gaan, wordt door de parlementaire geschiedenis gelogenstraft. Ook in ruimere zin besluiten partijleiders nogal eens om in het parlement te blijven. Zalm bij de vorming van het kabinet-Balkenende; Bolkestein bij de vorming van het eerste paarse kabinet in 1994. De redenering die daar veelal voor wordt gebruikt is dat vanuit de parlementaire positie het partijpolitieke profiel scherper kan worden neergezet.

Een dergelijke positie loont. Bolkestein bijvoorbeeld haalde met zijn dualistische opstelling belangrijke kiezerswinst. In de praktijk bleek het heel goed mogelijk te zijn om het kabinet te steunen, tegelijkertijd werd vanuit het parlement het VVD-profiel scherp in de gaten gehouden. Men kan derhalve zeggen dat in ieder geval het partijbelang gediend kan zijn bij een splitsing tussen het premierschap en het leiderschap van fractie en partij. Er zijn echer ook nog andere overwegingen die een dergelijke positie kunnen ondersteunen.

In algemene zin kan worden verdedigd dat een meer dualistische opstelling van de Tweede Kamer zeer gebaat is bij een wat meer gedistantieerde opstelling van de coalitiefracties. Jan Peter Balkenende komt de eer toe dit met verve te hebben verdedigd in de aanloop naar de verkiezingen van 15 mei 2002. Balkenende betoogde dat aan de verstrengeling van politiek en bestuur een einde moet komen. Het parlement moet vaker zijn tanden laten zien. De Tweede Kamer moet weer een echte volksvertegenwoordiging worden. Daarvoor is het noodzakelijk dat een scherp onderscheid wordt gemaakt tussen bestuurlijke posities en politieke posities. Ministers en staatssecretarissen moeten het land besturen; de partijpolitieke basis daarvoor moet worden gelegd in het parlement en veel minder in het kabinet. Willen politieke partijen in ons stelsel overleven, dan is het bitter noodzakelijk dat de politieke herkenbaarheid van de partijen vanuit het parlement aanzienlijk wordt versterkt.

Deze filosofie van Balkenende was overtuigend. Door evenwel te gaan functioneren als minister-president maakte Balkenende het voor hemzelf buitengewoon moeilijk om aan deze filosofie vorm en inhoud te geven. Al heel snel bleek dat het politieke bloed toch weer kruipt waar het dualistisch niet kan gaan, met als gevolg dat ook onder het kortstondige kabinet-Balkenende het dualisme weinig fleur en kleur heeft gekend. Pas toen het kabinet demissionair was, werd de ruimte voor de coalitiefracties wat groter. Wat Balkenende heeft laten liggen, kan door Wouter Bos worden opgepakt.

Indien de PvdA de grootste partij zou worden – hetgeen overigens zou leiden tot een nog merkwaardiger uitslag dan die van 15 mei – dan kan Bos het belang van zijn partij dienen vanuit het parlement, maar ook een goede bijdrage leveren aan de zeer gewenste dualisering van de verhouding tussen regering en parlement. Met overtuigingskracht is door de Haagse wetgever de dualiseringsoperatie ingezet voor gemeente en provincie. Hoewel in de praktijk blijkt dat die dualisering nog niet zo eenvoudig is te realiseren vanwege diep ingesleten politieke culturen, heeft deze zeker toekomst.

Vermenging van posities en verantwoordelijkheden is uit; scheiding van posities, maar ook van politiek en bestuur is in. Dualisering is een welbewuste poging om het bestaande stelsel van democratie met goed functionerende politieke partijen blijvend gezond te houden. Lukt het niet om de politieke herkenbaarheid van partijen en fracties te vergroten, dan zal dit leiden tot nog heviger vormen van politieke instabiliteit. Dat de kiezers nu in groten getale overspringen van de ene naar de andere partij zal door de winnaars als een groot goed worden beschouwd, maar is een teken aan de wand.

In feite spreekt er een soort minachting uit voor politieke partijen. Kiezers en diverse media sollen met de partijen en maken er een soort volksvermaak van. Dat geeft te denken en er is daarom alle aanleiding voor een grondige bezinning op de positie van partijen, politiek en parlement. Niet alleen tijdens verkiezingscampagnes moeten partijen de trom roeren, maar ook in de periodes daartussen. Partijleiders, die zitting nemen in het parlement, kunnen aan die repolitisering van de politiek een belangrijke bijdrage leveren. Gaan ze het kabinet in dan zijn de dualiseringswensen meestal snel weer vergeten en wordt er overgegaan tot de orde van de dag, met alle gevolgen van dien.

Prof.dr. D.J. Elzinga is hoogleraar Staatsrecht en oud-voorzitter van de Staatscommissie dualisme en lokale democratie.