Pijnlijk compromis

Zonder in detail te treden hebben president Chirac van Frankrijk en bondskanselier Schröder van Duitsland een ingrijpende verandering van het leiderschap in de Europese Unie bepleit. Of de verandering op termijn een verbetering zal zijn, is zeer de vraag. Het Frans-Duitse voorstel is daarvoor niet genoeg uitgewerkt, maar duidelijk is wel dat sprake is van een op z'n zachtst gezegd ongemakkelijk compromis. Chirac en Schröder stellen een tweehoofdig EU-leiderschap voor: een president, benoemd door de regeringsleiders van de EU-landen voor vijf jaar of tweeënhalf jaar met mogelijkheid van verlenging, én een door het Europees parlement gekozen voorzitter van de Europese Commissie. Het voorstel zal zonder twijfel een belangrijk punt van overweging zijn voor de Europese Conventie, die dit jaar met haar plannen komt voor bestuur en inrichting van de toekomstige Unie.

Te begrijpen is het Frans-Duitse plan wel. De Europese Unie, een economische grootmacht die volgend jaar 25 leden heeft, stelt op politiek en strategisch gebied weinig voor. Vrede, veiligheid en buitenlands beleid: áls de EU er als eenheid al een standpunt over inneemt, is het doorgaans krachteloos en machteloos. Het zijn de afzonderlijke (grote) landen die dan hun stem laten horen. Zie de kwestie met Irak. Wil de Unie politieke betekenis krijgen – hetgeen wenselijk is – dan ligt de benoeming van een vaste `president' voor de hand. Zo'n functionaris kan deels de rol overnemen van het nu nog roulerende EU-voorzitterschap, dat wel veel werk geeft maar door het halfjaarlijkse gewissel weinig politieke impact heeft. Maar hierbij komen wél alle landen, groot en klein, aan de beurt. Een door de regeringsleiders benoemde president kan uitgroeien tot een machtige figuur. Als deze uit de strategische zwaargewichten van de Unie afkomstig is, dan is de vrees gerechtigd dat hij of zij vooral de belangen van de grote EU-landen zal dienen.

Dit is de reden dat Nederland, als klein land, niet onverdeeld vóór zo'n `Mr. Europe' is. Het Nederlandse belang is het communautaire belang. Dit standpunt, dat decennialang met succes in een economische gemeenschap kon worden verdedigd, is aan erosie onderhevig. De EU-lidstaten zijn wat politiek-strategisch gewicht betreft ongelijkwaardig. Grote EU-leden zouden grotere politieke verantwoordelijkheid moeten dragen. Hoe meer de kleine EU-lidstaten zeggenschap voor zich opeisen, hoe geringer de macht van de Unie in de wereld is. Een benoemde president kan daarin verandering brengen. Dat neemt niet weg dat het Frans-Duitse plan de trekjes vertoont van een ,,dictaat van de grote landen'', zoals de oud-minister van Buitenlandse Zaken, de VVD'er Van Aartsen, het gisteren omschreef.

Nogmaals: de details ontbreken. Maar als Schröder en Chirac een machtsspel hebben opgevoerd dat er uiteindelijk op gericht is de grote landen te bevoordelen ten nadele van de kleine, dan heeft de Conventie een tijdbom gepresenteerd gekregen die zich om machtsredenen moeilijk onschadelijk laat maken. Het is overigens onwaarschijnlijk dat de Conventievoorzitter, de Fransman Giscard d'Estaing, het Frans-Duitse voorstel zal demonteren. Het past juist in zijn visie om de Unie te politiseren. Toch wringt het. Een dubbel EU-leiderschap zou de zo verlangde `transparantie' niet ten goede komen. De in verwarring gebrachte burger mag zich met recht afvragen wie de echte `baas van Europa' wordt: de president of de voorzitter. Het zal een klus worden om hierover, en over hun beider bevoegdheden, helderheid te verschaffen.

Men kan het ook positiever zien. Europa leeft van compromissen, en dit is het zoveelste in een lange rij. Ideaal is het niet, maar uit de details valt voor landen als Nederland wellicht nog voordeel te putten. Het Frans-Duitse voorstel beklemtoont, hoe dan ook, het politieke van de Unie. En dat is geen slechte zaak.