Groeihormoon?

In het zicht van de komende Kamerverkiezingen beloven politici de kiezers weer gouden bergen. De criminaliteit wordt straks keihard aangepakt, wachtlijsten in de gezondheidszorg zullen verdwijnen als sneeuw voor de zon, schoolbesturen en onderwijsgevenden worden vanaf volgend jaar in de watten gelegd. Door ervaring wijs geworden kiezers denken er hoogstwaarschijnlijk het hunne van. Veel extra geld om alle schone beloften waar te maken is er hoe dan ook niet. Partijen die zich laten voorstaan op de degelijkheid van hun omgang met de overheidsfinanciën verkopen hete lucht. In deze krant lieten Beetsma en Van Wijnbergen afgelopen maandag overtuigend zien dat CDA en VVD zich rijk rekenen met boterzachte schijnbezuinigingen. Net als de PvdA maken beide partijen in de komende kabinetsperiode hooguit drie tot vier miljard euro vrij om het begrotingstekort weg te werken.

Op dit moment bedragen de collectieve uitgaven ongeveer 220 miljard euro. Met pijn en moeite valt daar in vier jaar tijd kennelijk niet meer dan twee procent van af te schaven. Politici zouden zich meer speelruimte kunnen verschaffen door uit te gaan van een hogere economische groei. Op gezag van het Centraal Planbureau nemen zij aan dat het bruto binnenlands product tot 2007 met 2,25 procent per jaar toeneemt. Een half procent extra groei per jaar levert het volgende kabinet drie miljard euro extra budgettaire ruimte op.

De financiële specialisten van de kamerfracties hebben weerstand geboden aan de verleiding zich rijk te rekenen door uit te gaan van geflatteerde groeicijfers. Dat is begrijpelijk. De economie van Euroland zit in de put, het economisch herstel in Japan laat al meer dan tien jaar op zich wachten en een upswing in de Verenigde Staten is allesbehalve zeker. Vermoedelijk krabbelt de wereldeconomie eerst in de loop van 2004 of 2005 op. Tot zo lang ligt de feitelijke groei in ons land een stuk lager dan de nu door politici aangehouden 2,25 procent per jaar. Onder invloed van het verhoopte herstel van de wereldeconomie kan de productiegroei in 2006 en 2007 hoger dan 2,25 procent uitvallen. Over de gehele kabinetsperiode gerekend komt de groei dan nauwelijks boven de twee procent per jaar uit.

Kan dat groeipercentage niet omhoog? Dat zou iedereen rijker maken. Bedrijven produceren dan meer, zodat de lonen sterker kunnen stijgen zonder dat aandeelhouders de winsten zien verdampen. Ook de overheid pikt haar graantje mee, via hogere belastingontvangsten.

Het groeipotentieel van een land hangt af van het arbeidsaanbod en de productiviteit. Neemt de beroepsbevolking toe met twee procent en produceert iedereen per uur drie procent meer, dan kan de totale productie met vijf procent stijgen. De groei van het arbeidsaanbod in Nederland bedraagt krap 1 procent per jaar. Door de ontgroening komen minder jongeren op de arbeidsmarkt. Na een forse inhaalbeweging ligt de arbeidsparticipatie van gehuwde vrouwen inmiddels boven Europees peil.

In deze situatie valt het aanbod van arbeid, en dus de toekomstige economische groei, vooral op te krikken wanneer veel meer ouderen langer blijven werken. Daarnaast kan ons land hoog gekwalificeerde arbeid uit het buitenland aantrekken. Dit is geen argument voor een ruimhartig toelatingsbeleid voor vreemdelingen. De meeste immigranten die nu naar Nederland komen zijn zo weinig geschoold dat zij onze samenleving meer kosten dan zij daaraan ooit zullen bijdragen. Maar via selectieve immigratie kan het arbeidsaanbod worden verruimd en het groeipad van de vaderlandse economie naar een hoger plan worden getild.

Naast het arbeidsaanbod bepaalt de productiviteit van de werkenden het nationale groeipotentieel. De afgelopen tien tot vijftien jaar groeide de productie per gewerkt uur in Nederland jaarlijks met 1 à 1,5 procent. In sommige bedrijfstakken, zoals landbouw en industrie, ligt dat percentage een stuk hoger. Bij de dienstverlening ligt het soms lager. Om een extreem voorbeeld te geven: de uitvoering van een toneelstuk van Ibsen of een strijkkwartet van Mozart kost nog net zoveel tijd van de uitvoerenden als in de negentiende eeuw. Hun productiviteit blijft gelijk, behalve wanneer zij door de moderne techniek – cd, tv – een groter publiek kunnen bereiken. Naarmate ons land opschuift naar een diensteneconomie, zal het lastiger zijn de productiviteit extra op te voeren.

Toch verbetert de productiviteit in de Verenigde Staten, een diensteneconomie bij uitstek, sterker dan in de meeste Europese landen. De grotere dynamiek van de Amerikaanse economie geldt als verklaring. Het is eenvoudiger daarginds een eigen bedrijf te beginnen. Bovendien genieten werknemers in de VS minder sociale bescherming. Zij zijn daardoor gedwongen tot grotere mobiliteit. Bovendien stoppen de VS meer geld in onderzoek en ontwikkeling.

In het laatste opzicht loopt Nederland achter. Belanghebbenden, werkgeversorganisaties en de universiteiten voorop, vragen daarom meer subsidies van de overheid voor innovatiebeleid en technische opleidingen. Succes lijkt allesbehalve verzekerd. Geen van de partijen, uitgezonderd D66, trekt voor innovatie en technologie veel extra geld uit. Dan is de som simpel: hooguit 1 procent extra arbeidsaanbod plus iets meer dan 1 procent productiviteitsverbetering betekent hooguit 2,25 procent groei van het productiepotentieel per jaar. Meer zit er zonder groeihormoon niet in.

    • Flip de Kam