Geschiedenis moet verplicht blijven

De voorstellen van minister van der Hoeven van Onderwijs betreffende het geschiedenisonderwijs in de Tweede Fase zijn onverantwoordelijk. Het vak wordt ten onrechte gereduceerd tot een keuzevak, menen Hans Blom en Piet de Rooy.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft onlangs het voorstel Ruimte laten en keuzes bieden gelanceerd om een aantal problemen in de Tweede Fase van havo/vwo, zoals overlading en versnippering, op te lossen. Juist omdat het een weloverwogen geheel is, bovendien kennelijk gedragen door `de onderwijsorganisaties', zou het in hoge mate te betreuren zijn als daarmee in het voorbijgaan een belangrijke beslissing genomen werd die ernstige bezwaren heeft.

Uit de voorstellen vloeit namelijk voort dat geschiedenis voor leerlingen in de laatste drie jaren van havo en vwo gereduceerd wordt tot een keuzevak. In de huidige situatie is het zo, dat alle leerlingen (in het verplichte `algemeen gedeelte') nog wat geschiedenis krijgen en daarnaast in twee van de vier `profielen' (economie en maatschappij; cultuur en maatschappij). Maar nu wordt voorgesteld om geschiedenis uit het algemeen gedeelte te schrappen en het aan de scholen over te laten of geschiedenis verplicht is in het profiel cultuur en maatschappij. Daarnaast is het mogelijk het vak te kiezen in het `vrije gedeelte'. En daarmee wordt dit onderdeel van de vorming in Nederland overgelaten aan willekeur en pragmatische overwegingen. Dit is om een aantal redenen onaanvaardbaar.

De invoering van de Tweede Fase (1998) was gericht op het herstel van een aantal ernstige feilen in de Mammoetwet (1968). Een van die verbeteringen was het herstel van geschiedenis als normaal onderdeel van het curriculum voor alle leerlingen, zoals dat overigens volstrekt vanzelfsprekend was in het voortgezet onderwijs gedurende de 19de en eerste helft van de 20ste eeuw. In dat licht zijn de recente voorstellen dan ook een stap terug. Dit is nogal schrijnend, waar juist in 1998 en 2001, op verzoek van de overheid, voorstellen zijn gedaan waarin de vormende waarde van het geschiedenisonderwijs nadrukkelijk gestalte kreeg: het zwaartepunt werd gelegd op het aanbrengen van `historisch besef'. Het geschiedenisonderwijs moet leerlingen in staat stellen hun wereld te interpreteren als ontstaan vanuit grotere ontwikkelingen dan de krant van gisteren of de verkiezingen van eergisteren. Dat is van aanzienlijk meer belang dan het vertellen van wat mooie verhalen of het bijbrengen van wat jaartallen.

Dit past in de zeer breed gedeelde opvatting dat elke samenleving de plicht heeft zich rekenschap te geven van het verleden, aangezien ze anders stuurloos en onverantwoordelijk is. Dat wil zeggen dat burgers op de hoogte dienen te zijn van datgene wat deze samenleving heeft meegemaakt, zoals men zich op zijn minst enig vocabulaire en wat grammatica eigen moet maken om met de omgeving te kunnen communiceren. De noodzaak daartoe is de laatste jaren niet minder geworden en door de overheid nadrukkelijk erkend en aanvaard. Hier valt te wijzen op het omvangrijke, door de overheid uitgelokte en ruimhartig gefinancierde project Nederlandse cultuur in Europese context. Daarin werd een breed historisch onderzoek gedaan naar het Nederlandse verleden als `gesprek met de vorigen', juist in het licht van de drastische veranderingen die plaatsvonden: een sterke globalisering van de economie, een politieke vervlechting in Europees verband en een steeds grotere culturele verscheidenheid binnen de Nederlandse samenleving.

Historisch besef werd door de overheid dus van belang geacht: niet om een specifieke opvatting over de verdere toekomst uit te dragen, maar om burgers in staat te stellen in sterk veranderende tijden een eigen positie te kiezen. Een aantal grote debatten van de laatste jaren maken ook duidelijk dat deze functie van geschiedenis niet alleen nuttig, maar onmisbaar is. Zo blijven de gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog van fundamenteel belang voor het begrip van de huidige samenleving, maar ook ontwikkelingen uit een wat verder terugliggend verleden keren voortdurend terug. Te denken valt aan de discussies over de aard en betekenis van de Nederlandse Opstand en de Republiek, het slavernijmonument, de VOC-herdenking en het burgerschapsproject naar aanleiding van de Grondwet van 1848.

Het belang van geschiedenis, van historische argumentatie, is alleen maar toegenomen. Daarmee is het van belang dat burgers in staat zijn op zijn minst te begrijpen waar dat allemaal over gaat en desgewenst daar actief deel aan te nemen. Daarop was het vak geschiedenis, zoals uiteengezet in het rapport van de commissie-De Rooy Verleden Heden Toekomst ook gericht, bijvoorbeeld in de keuze van `diachronische thema's' als staats- en natievorming, oorlog en vrede, westerse en niet-westerse culturen, religie en wereldbeschouwing. Dit was een kwaliteit van de voorstellen die bij de ontvangst in brede kring werd onderschreven. In deze krant van 23 februari 2001 bijvoorbeeld werd naar aanleiding van het rapport in het commentaar opgemerkt: ,,Wie zijn verleden niet kent, begrijpt zijn heden evenmin.''

Het is deze grondslag die verloren gaat in de recente voorstellen van de minister. Hoewel daarin ook de leraren geschiedenis een worstje wordt voorgehouden (als keuzevak in het vwo krijgt het vak 480 in plaats van 360 uur), hoezeer ook geruststellend wordt gezegd dat veel leerlingen geschiedenis zullen kiezen – dat doet niets af aan het principiële punt dat geschiedenis een vak voor sommigen wordt, waar het een vak voor allen is. Dat is erger dan onjuist: dat is onverantwoordelijk.

Prof.dr. J.C.H. Blom is directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) en prof.dr. P. de Rooy is hoogleraar Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Dit pleidooi is onderschreven door een groot aantal prominenten uit bedrijfsleven, openbaar bestuur, politiek, wetenschap en cultuur. De lijst met hun namen is te lezen op onze website.

www.nrc.nl/discussie Moet geschiedenis verplicht blijven in de Tweede Fase havo/vwo?