Bos dient geen outsider aan te wijzen

Het is slecht voor het aanzien van het parlement als de kandidaat-premier van de PvdA van buiten de kring van Kamerkandidaten komt. De PvdA zou dan 40 jaar teruggaan in de tijd, vindt Alis Koekkoek.

Na de zwevende kiezers hebben we in Nederland nu ook een zwevende partij: de Partij van de Arbeid. Zij laat het immers van de opiniepeilingen afhangen of zij voor de verkiezingen van 22 januari een kandidaat-premier zal noemen. Dit is een ongewenste ontwikkeling.

Dat het premierschap inzet van de verkiezingen is gaat terug tot het begin van de twintigste eeuw. Het verkiezingsaffiche van de ARP toonde in 1925 bijvoorbeeld Colijn in oliejas, de zuidwester op het hoofd, als 's lands stuurman aan het roer van het Schip van Staat. Hij werd vervolgens ook premier.

In de jaren zestig werd in christen-democratische kring al gepleit voor een regeerakkoord met een kandidaat-premier. PvdA, D66 en PPR voegden in 1971 de daad bij het woord door voor de verkiezingen een schaduwkabinet te presenteren met Joop den Uyl als kandidaat-premier. Dat ging overigens niet vanzelf want Nieuw Links wilde nog dat de PvdA met maar liefst zes verschillende lijstaanvoerders de verkiezingen zou ingaan.

Met Den Uyl heeft de PvdA de traditie gevestigd dat de lijsttrekker tevens kandidaat-premier is. Na Den Uyl volgden Kok en Melkert. Het CDA kwam in 1977 met Van Agt als kandidaat-premier en later met Lubbers en Brinkman. Balkenende gaf voor de verkiezingen van mei vorig jaar aan: `Ik ga voor goud.' Hij was bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen.

Na de enorme verkiezingsnederlaag in mei heeft de PvdA zich met lijsttrekker Wouter Bos bescheiden opgesteld. Hij heeft vele malen herhaald dat hij na de verkiezingen fractievoorzitter wil worden en het niet over de poppetjes wil hebben. Nu de PvdA in de peilingen op winst staat zal Bos toch nog voor 22 januari gaan zeggen wie zijn kandidaat-premier is. Althans, indien de PvdA volgens alle peilingen de grootste zal worden.

Hiermee heeft de PvdA zich wel erg afhankelijk gemaakt van de opiniepeilingen. Zij spelen al zo'n grote rol in deze campagne. Verkiezingen moeten geen aandelenbeurs worden waarbij een partij het noemen van een kandidaat-premier laat afhangen van de dagkoersen. Het ging in de jaren zestig en het gaat er ook nu om, de kiezers voor de verkiezingen een zo groot mogelijke duidelijkheid te bieden. Binnen ons huidige parlementaire systeem is die duidelijkheid er gekomen doordat alle partijen sinds 1971 voor de verkiezingen steeds één landelijke lijsttrekker hebben aangewezen. Bij de grote partijen was deze meestel ook kandidaat-premier. De partij die bij de verkiezingen de grootste wordt, moet in principe het voortouw nemen bij de kabinetsformatie. Daarbij is een sleutelrol weggelegd voor de kandidaat-premier.

Bos blijft zeggen dat hij zelf geen kandidaat-premier wil zijn, omdat hij vanuit de Tweede Kamer leiding wil geven aan de PvdA. Dat betekent dat de kandidaat-premier van de PvdA ofwel een andere Kamerkandidaat zal zijn ofwel iemand die helemaal niet meedoet aan de Tweede-Kamerverkiezingen, zoals Cohen of Stekelenburg. Het zou slecht zijn voor het aanzien van het parlement als een kandidaat-premier van buiten de kring van de Kamerkandidaten zou komen. De PvdA zou daarmee 40 jaar teruggaan in de tijd. In 1963 bijvoorbeeld was Romme lijsttrekker van de KVP, maar hij was niet beschikbaar als premier. Dat werd iemand van buiten, De Quay.

Er zou grote onduidelijkheid ontstaan als Bos als een duveltje uit een doosje met een kandidaat komt die niet meedoet aan de verkiezingscampagne. Of gaan we het nog meemaken dat er een debat van premierskandidaten wordt gehouden tussen Jan Peter Balkenende en Job Cohen?

Om te laten zien dat de PvdA geen zwevende partij is zou Bos er goed aan doen de bekendmaking van een kandidaat-premier niet te laten afhangen van de peilingen. En, als hij zelf niet wil, dan is uit het oogpunt van de parlementaire democratie beter een kandidaat te noemen die thans ook beschikbaar is voor de Kamer. Anders zet hij de klok 40 jaar terug.

Prof. mr. A.K. Koekkoek is hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van Tilburg