Peilingen stimuleren strategisch kiesgedrag

Opiniepeilingen bepalen steeds meer de uitslag van de verkiezingen. Twijfelaars stemmen op de gedoodverfde winnaar. En kleintjes vallen uit de boot bij een nek-aan-nekrace.

Opiniepeilingen zijn nauwelijks meer weg te denken uit de hedendaagse verkiezingscampagnes. Hoever zou Pim Fortuyn zijn gekomen als de kiezers niet geweten hadden dat hij het bijzonder goed deed in de peilingen? En waar zou de PvdA op het moment hebben gestaan als heel Nederland anderhalve week geleden niet had gehoord dat uit peilingen bleek dat lijsttrekker Wouter Bos aansloeg bij verrassend veel kiezers?

Niet voor niets zien politici reikhalzend, met een mengeling van hoop en vrees, uit naar de peilingen. ,,Die bepalen ontzettend de stemming in de campagne'', zegt de voormalige PvdA-campagnemanager Jacques Monasch.

Mediadeskundige Connie de Boer van de Universiteit van Amsterdam bevestigt dat het effect op de campagne ,,gigantisch'' is. ,,De enige reden dat Wouter Bos nu gedwongen wordt te zeggen wie hij als premier naar voren wil schuiven, is de peiling'', aldus De Boer, die in 1995 promoveerde op de effecten van peilingen in de pers.

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat liefst 90 procent van de kiezers in de loop van de verkiezingscampagne kennisneemt van peilingen. Een andere vraag is echter in hoeverre ze zich hierdoor laten beïnvloeden bij hun stemgedrag. Politieke wetenschappers stellen vast dat maar een relatief klein deel van de kiezers – hoeveel precies durven ze niet te zeggen – zich volledig door peilingen laat leiden. Velen weten toch al zeker op wie ze gaan stemmen.

Een algemeen erkend fenomeen is dat veel kiezers graag op een winnaar stemmen, het zogeheten bandwagon-effect. Als uit peilingen blijkt dat een bepaalde partij het goed doet in de peilingen, sluiten zich daar prompt veel anderen bij aan. ,,Je hebt echter ook het underdog-effect'', zegt prof. C. van der Eijk van de Universiteit van Amsterdam. ,,Dan zegt de kiezer bijvoorbeeld: D66 staat nu zo slecht in de peilingen. Ik wil dat die partij blijft bestaan, ik ga er juist op stemmen.''

Monasch is van dat laatste niet erg overtuigd. ,,Ik geloof veel meer in het bandwagon-effect. In geen enkele peiling valt tot nu toe ook maar iets te bespeuren van het underdog-effect.''

De peilingen stimuleren de kiezers ook om `strategisch' te stemmen. Je kunt aan de hand van de peilingen makkelijk zien hoe de verhoudingen liggen tussen de partijen en hoe je stem daarop invloed kan uitoefenen. Volgens Van der Eijk valt bijvoorbeeld vast te stellen dat bij een nek-aan-nekrace tussen de twee grootste partijen veel kiezers die anders zouden hebben gekozen voor kleinere partijen, dan kiezen voor een van die twee. Dit kan zeer nadelig uitpakken voor kleinere partijen. Zo'n race zou zich nu kunnen voordoen tussen CDA en PvdA, waarbij SP, GroenLinks, D66 en ChristenUnie het nakijken hebben.

Ook politici weten dat veel kiezers zo strategisch redeneren. Prof. G. Irwin, hoogleraar politicologie in Leiden, noemt het voorbeeld van VVD-leider Zalm, die vorige week aan dit gedrag appelleerde door erop te wijzen dat het CDA verder wilde regeren met de VVD. ,,Zalm zei: stem VVD, dan krijg je het CDA er gratis bij.''

Zo groot is de rol van opiniepeilingen geworden dat men zich kan afvragen of het de peilingen zelf zijn die politici en hun partijen maken of breken. Dat gaat echter volgens prof. J. Kleinnijenhuis, hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, veel te ver. ,,Het hangt er ook wel degelijk vanaf wat de leider zegt en in hoeverre hij de kiezers aanspreekt.''

De afgelopen week borrelde kritiek op over de grote rol die opiniepeilingen hebben gekregen. André Rouvoet, lijsttrekker van de ChristenUnie, demissionair premier Balkenende (CDA) en D66-leider Thom de Graaf suggereerden om in de slotfase van de campagne geen peilingen meer vrij te geven. Onder invloed van de peilingen zou er onvoldoende ruimte zijn voor de partijen om hun inhoudelijke punten naar voren te brengen. Iedereen zou vooral geïnteresseerd zijn in mogelijke coalities en de mogelijke premier.

Enig opportunisme lijkt de voorstanders van dergelijke beperkingen niet vreemd. CDA, D66 en ChristenUnie doen het op het moment alledrie matig in de peilingen. Ook de PvdA hanteert de peilingen zoals het uitkomt. Enerzijds wijzen ze graag op de toegenomen populariteit van de PvdA volgens de peilingen. Anderzijds relativeren de PvdA'ers het belang van de peilingen, wanneer ze vragen krijgen over de PvdA-kandidaat voor het premierschap.

Wat vinden de peilers zelf? Maurice de Hond wordt door zijn collega's van met name Inter/View-NSS regelmatig onder vuur genomen omdat hij de uiteindelijke verkiezingsuitslag te veel zou beïnvloeden. De extreme uitslagen van De Hond (die als eerste een enorme sprong voorwaarts voor de PvdA noteerde na het eerste lijsttrekkersdebat begin januari) zouden volgens Inter/View-NSS de kiezer beïnvloeden. De Hond zelf toont in een deze week verstuurd persbericht aan dat zijn peiling weliswaar grote schommelingen laat zien, maar dat de onderliggende trend ook wel degelijk bij de collega's van Inter/View-NSS te zien is. De Hond: ,,Het is slechts toe te schrijven aan de presentatie en de interpretatie van de gemelde cijfers (...).'' De Hond peilt én presenteert dagelijks een nieuwe stand, waarin de `schokeffecten' van de televisie-debatten direct te zien zijn. Inter/View-NSS peilt ook dagelijks, maar presenteert iedere week een voortschrijdend gemiddelde, gebaseerd op twee weken ondervragen (zie kaders). Bij Inter/View-NSS worden de schokeffecten derhalve `gemiddeld', deels weggefilterd.

De vraagstelling van de Nederlandse opiniebureaus is over het algemeen in orde. Er kan echter sprake zijn van beïnvloeding van de vraag op wie een ondervraagde gaat stemmen door andere vragen toe te voegen aan de peiling. De premiersvraag bijvoorbeeld (`Wie moet er volgens u premier worden na de verkiezingen?') kan de mening van de ondervraagde over de zetelverdeling beïnvloeden – mits de vraag voorafgaand aan de zetelvraag wordt gesteld, zegt De Boer.

Volgens prof. Kleinnijenhuis is het niveau van de Nederlandse opiniepeilers gemiddeld genomen heel behoorlijk. Van der Eijk voegt eraan toe dat de methode van De Hond, die met een vaste groep ondervraagden werkt, ,,risicovol'' is. Volgens hem baseert die zich niet op een echte dwarsdoorsnede van de Nederlandse samenleving. ,,Dat hoeft overigens nog niet te betekenen dat zijn onderzoek fout is.''

    • Egbert Kalse
    • Floris van Straaten